AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verbod op uitlevering wegens onvoldoende onderzoek naar betrokkenheid VS bij foltering
In deze zaak stond de uitlevering van [X] aan de Verenigde Staten centraal, waarbij werd onderzocht of functionarissen van de VS betrokken waren bij foltering van [X] na zijn aanhouding in Pakistan. Het hof had in een tussenarrest bepaald dat de Staat een onderzoek moest uitvoeren naar de vraag of de VS voorafgaand aan de aanhouding van [X] aan de Pakistaanse autoriteiten had verzocht om zijn aanhouding.
De Staat heeft dit onderzoek niet uitgevoerd en beriep zich op het systeem van de uitleveringsprocedure, stellende dat alleen de uitleveringsrechter bevoegd is om mensenrechtenschendingen te beoordelen. Het hof verwierp dit verweer en benadrukte dat de Staat zelf had gesteld dat nieuwe argumenten omtrent schending van artikel 3 EVRMPro door de minister beoordeeld konden worden en dat deze in kort geding aan de orde konden komen.
Het hof oordeelde dat het niet uitvoeren van het onderzoek door de Staat onrechtmatig is, omdat hierdoor onzekerheid bleef bestaan over de betrokkenheid van de VS bij foltering. Daarom werd het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en werd de uitlevering van [X] aan de VS verboden. De Staat werd veroordeeld in de proceskosten. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De uitlevering van [X] aan de Verenigde Staten wordt verboden vanwege het niet uitvoeren van het vereiste onderzoek naar mogelijke betrokkenheid bij foltering.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.124.971/01
Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/434353/KG ZA 13-10
arrest van 23 juli 2013
inzake
[X],
thans verblijvende te […],
appellant,
hierna te noemen: [X],
advocaat: mr. A.M. Seebregts te Rotterdam,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend te ’s-Gravenhage,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. A.Th.M. ten Broeke te ’s-Gravenhage.
Het geding
Voor het geding tot aan het tussenarrest van het hof van 28 mei 2013 (hierna ook: het tussenarrest) verwijst het hof naar dat arrest. Op 1 juli 2013 heeft de door het hof in het tussenarrest gelaste (voortgezette) behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten van partijen het woord hebben gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. De Staat heeft bij die gelegenheid nog producties in het geding gebracht. Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
1.1 In het tussenarrest heeft het hof de Staat in de gelegenheid gesteld het daarin onder 3.8 aangeduide onderzoek (te weten: een onderzoek naar de vraag of de VS, voorafgaand aan de feitelijke aanhouding van [X] op 20 september 2010, aan de Pakistaanse autoriteiten om zijn aanhouding hebben verzocht) uit te voeren. De Staat heeft een dergelijk onderzoek niet uitgevoerd. Als reden daarvoor geeft de Staat op dat hij het niet eens is met het tussenarrest. De Staat verzoekt het hof op de in het tussenarrest gegeven beslissing terug te komen. Het hof zal hierna de argumenten die de Staat hiervoor aanvoert bespreken.
1.2 De Staat voert allereerst aan dat het verrichten van het door het hof verlangde onderzoek in strijd is met het systeem van de uitleveringsprocedure omdat, zo begrijpt het hof, (i) de vraag naar een voltooide mensenrechtenschending uitsluitend ter beoordeling van de uitleveringsrechter staat, en (ii) de uitleveringsrechter in deze zaak geen aanleiding heeft gezien een nader onderzoek naar de betrokkenheid van de VS bij de foltering van [X] in te stellen.
1.3 Dit betoog geeft het hof geen aanleiding om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest. De Staat verliest immers uit het oog dat, wat er in het algemeen ook zij van de bevoegdheidsverdeling tussen uitleveringsrechter enerzijds en de minister en de voorzieningenrechter anderzijds, de Staat zich in dit geding zelf op het standpunt heeft gesteld dat de nieuwe argumenten die [X] na de uitleveringsprocedure omtrent de schending van art. 3 EVRMPro heeft aangevoerd, nog door de minister beoordeeld konden en dienden te worden en mitsdien ter beoordeling in dit kort geding kunnen worden voorgelegd (memorie van antwoord nrs. 2.6-2.7). Van de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, heeft de Staat de omstandigheden vermeld in het tussenarrest onder 3.7 sub (ii) en (iii), die corresponderen met de aspecten genoemd in de memorie van grieven onder 15 sub i) en j), zelf als nieuwe argumenten aangemerkt (memorie van antwoord nr. 2.8). De Staat voert ook nu niet aan dat het niet om ‘nieuwe’ argumenten zou gaan.
1.4 Gezien het duidelijke standpunt van de Staat omtrent dit punt, dat niet aan de openbare orde raakt, zou het hof buiten de rechtsstrijd zijn getreden indien het met een beroep op het systeem van de uitleveringsprocedure zou hebben geweigerd de ook door de Staat uitdrukkelijk als nieuw aangeduide feiten in zijn oordeel te betrekken. Het hof voegt hier aan toe dat het hof het standpunt van de Staat, dat nieuwe argumenten door de voorzieningenrechter kunnen en moeten worden beoordeeld, ook juist acht. Dit is althans het geval nu de Staat niet aanvoert dat [X] deze nieuwe argumenten reeds tijdens de uitleveringsprocedure heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren en met name niet op duidelijke en gemotiveerde wijze is teruggekomen op zijn standpunt zoals verwoord in de memorie van antwoord onder 2.6-2.8.
1.5 Het betoog van de Staat stuit op het voorgaande af. De Staat voert nog aan dat onbegrijpelijk of innerlijk tegenstrijdig zou zijn dat het hof de argumenten a tot en met l onder 3.5 van het tussenarrest verwerpt, maar daarop wel een onderzoeksplicht van de Staat baseert. Ook dit betoog faalt. Het hof heeft overwogen dat [X] met de bedoelde argumenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat functionarissen van de VS hebben uitgelokt of bewerkstelligd dat hij door de ISI werd gefolterd, maar dat die argumenten de Staat wel noopten daarnaar een onderzoek in te stellen. Van onbegrijpelijkheid of innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake.
1.6 De Staat voert ten slotte aan dat het vragen van aanhouding van iemand die van terrorisme wordt verdacht, niet betekent dat daarmee zijn foltering wordt bewerkstelligd, ook niet in de situatie dat in Pakistan terrorismeverdachten op grote schaal worden gefolterd. Het hof ziet in dit betoog geen aanleiding terug te komen op zijn oordeel in het tussenarrest. Het argument dat een verzoek aan Pakistan om aanhouding van een van terrorisme verdachte persoon te allen tijde achterwege moet blijven faalt reeds, omdat niet gesteld of gebleken is dat het niet mogelijk zou zijn aan een dergelijk verzoek de wens te verbinden dat de betrokkene niet wordt gefolterd.
2.1 Nu de Staat niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht betekent dit dat, gegeven de onzekerheid die is blijven bestaan ten aanzien van de (in het tussenarrest bedoelde) betrokkenheid van de VS bij de foltering van [X], de Staat onrechtmatig zou handelen door [X] uit te leveren aan de VS. Grief I is in zoverre gegrond.
2.2 Dit betekent dat het hof, met vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter, de uitlevering van [X] alsnog zal verbieden.
2.3 De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter, en opnieuw rechtdoende:
- verbiedt de Staat om [X] uit te leveren;
- veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanlegbegroot op € 665,71 voor verschotten en € 816,-- voor salaris van de advocaat, en in hoger beroepop € 375,71 voor verschotten en € 2.682,-- voor salaris van de advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en E.M. Dousma-Valk, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2013, in aanwezigheid van de griffier.