ECLI:NL:GHDHA:2013:3616
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Labohm
- Husson
- Mink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over pensioenverevening na beëindiging samenwoning onder samenlevingscontract
In deze civiele zaak stond centraal of de vrouw op grond van het samenlevingscontract aanspraak kon maken op een deel van het pensioen van de man, omdat zij volgens haar meer dan tien jaar hadden samengewoond. De rechtbank had de vorderingen van de vrouw afgewezen en dit vonnis werd in hoger beroep bestreden.
Het hof overwoog dat de feitelijke samenwoning begon op 29 juni 1994, conform het samenlevingscontract, en eindigde op 23 september 1999 met het convenant waarin partijen hun samenleving beëindigden en hun vermogensrechtelijke gevolgen regelden. Hoewel de vrouw stelde dat de samenwoning feitelijk langer duurde, oordeelde het hof dat na het convenant geen duurzame affectieve relatie en gemeenschappelijke huishouding meer bestond. De man verbleef grotendeels elders en er was geen wederzijdse verzorging.
De notariële akten en de gemeenschappelijke bankrekening konden het ontbreken van samenwoning na 1999 niet weerleggen. De brief van de man uit 2006 waarin hij de samenleving opzegt, was voor het hof niet relevant omdat de samenleving al eerder was geëindigd. Gelet hierop concludeerde het hof dat de vrouw geen aanspraak kon maken op pensioenverevening omdat de samenwoning korter dan tien jaar was geweest.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de vrouw in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van de vrouw af omdat de samenwoning korter dan tien jaar heeft geduurd.