Partijen waren van 1981 tot 2007 gehuwd en hadden een echtscheidingsconvenant waarin een partneralimentatie van €3.500 bruto per maand was overeengekomen, met een niet-wijzigingsbeding tot 1 november 2016. De man verzocht om herziening van de alimentatie vanaf 1 januari 2012 vanwege zijn substantiële inkomensdaling door het beëindigen van zijn dienstverband bij een accountantskantoor.
Het hof oordeelde dat het niet-wijzigingsbeding door artikel 2.3 van het convenant werd doorbroken, omdat partijen rekening hielden met de inkomensdaling. De man had zich ingespannen voor ander werk, maar kon niet hetzelfde inkomen verwerven, mede door een concurrentiebeding. De behoefte van de vrouw was nagenoeg ongewijzigd, met een bruto alimentatiebedrag van €3.992 inclusief indexering.
De man beschikte over een bruto jaarinkomen van circa €44.623 inclusief pensioenuitkeringen en stamrecht, en een vermogen waaruit een rendement van 1,7% werd aangenomen. De draagkracht van de man werd berekend op €1.505 per maand. Een jusvergelijking toonde aan dat bij een alimentatie van €278 bruto per maand de vrouw niet meer vrije ruimte overhield dan de man. Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de alimentatie vast op €278 per maand vanaf 1 januari 2012. Proceskosten werden gecompenseerd.