De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken wegens geweldpleging en bedreiging. In hoger beroep wijzigde het hof de bewezenverklaring: het primair ten laste gelegde geweldplegen werd niet bewezen verklaard, maar het subsidiair ten laste gelegde bedreigen met een misdrijf tegen het leven wel. De bedreigingen betroffen ernstige en expliciete uitspraken gericht aan het slachtoffer.
De verdediging voerde noodweerexces aan, maar dit betrof niet het subsidiair bewezen verklaarde feit, zodat dit verweer niet werd behandeld. Het hof oordeelde dat de bedreiging strafbaar was en dat de verdachte strafbaar was. De straf werd vastgesteld op een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar, passend gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Daarnaast werd de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard omdat behandeling in het strafproces een onevenredige belasting zou vormen; deze vordering kan bij de burgerlijke rechter worden ingediend. Voorts werd een eerdere niet-uitgevoerde jeugddetentie van twee weken vervangen door een taakstraf van 28 uur, omdat de verdachte de proeftijd had geschonden door het bewezen verklaarde feit te plegen.
Het arrest werd gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. A.A. Schuering en mr. J.J.H.M. van Gennip op 20 september 2013. De tenuitvoerlegging van de straf werd bepaald met aftrek van voorarrest en onder voorwaarden van een proeftijd.