ECLI:NL:GHDHA:2013:3836

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2013
Publicatiedatum
10 oktober 2013
Zaaknummer
200.126.821-01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Kempen
  • Van Leuven
  • Burgerhart
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hoofdverblijfplaats minderjarigen bij moeder en vaststelling zorgregeling

In deze zaak stond het hoger beroep van de vader centraal tegen een beschikking van de rechtbank die de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij de moeder had vastgesteld. De vader verzocht om toewijzing van het eenhoofdig gezag en wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem, maar trok het verzoek tot eenhoofdig gezag in tijdens de zitting.

Het hof overwoog dat beide ouders in staat zijn om voor de kinderen te zorgen en dat het belang van de kinderen rust en stabiliteit vereist. Omdat de kinderen in de woonplaats van de moeder naar school gaan en daar ook hun huisarts gevestigd is, achtte het hof het wenselijk dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft. De raad voor de kinderbescherming onderschreef dit standpunt.

Daarnaast stelde het hof een gedetailleerde tweewekelijkse zorgregeling vast, waarin de zorg en opvoedingstaken tussen ouders worden verdeeld. De bestreden beschikking werd op dit punt vernietigd en opnieuw vastgesteld. De hoofdverblijfplaats bij de moeder werd bekrachtigd en overige verzoeken van de vader werden afgewezen.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarigen blijft bij de moeder en een tweewekelijkse zorgregeling wordt vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 9 oktober 2013
Zaaknummer : 200.126.821/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-3981
Zaaknummer rechtbank : C/09/420102
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M.S.M. Dietz de Loos-Schrijver te Wassenaar,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.Y. van der Bijl te Den Haag.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 7 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 februari 2013 van de rechtbank Den Haag.
Bij het hof is voorts van de zijde van de vader op 4 juni 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlage ingekomen.
.
De zaak is op 11 september 2013 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
  • de vader, bijgestaan door mr. P.J.Ph. Dietz de Loos (kantoorgenoot van de advocate van de vader);
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [X] en de heer [Y] namens de raad.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts is, voor zover voor dit hoger beroep van belang, bepaald dat:
de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 1]), en
  • [minderjarige 2], geboren [in]2005 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: [minderjarige 2]);
(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen) de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder. Deze bepaling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
In hoger beroep is vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 8 juli 2013is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.
In geschil zijn:
- het gezag ten aanzien van de minderjarigen, en
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
2.
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) ten aanzien van de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man het eenhoofdig gezag krijgt toegewezen, althans dat de minderjarigen hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de man.
Gezag
3.
Ter zitting heeft de vader zijn verzoek om het gezamenlijk gezag te beëindigen en belast te worden met het eenhoofdig gezag, ingetrokken. Op dit verzoek tot wijziging behoeft derhalve door het hof niet meer te worden beslist.
Hoofdverblijfplaats
4.
De vader stelt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem dient te zijn. Hij verwijst daarbij naar de raadsrapportage van 7 december 2012 waaruit blijkt dat de minderjarigen hem, de bij hem wonende (meerderjarige) kinderen en hun oude school in Wassenaar missen.
5.
De moeder heeft zich daartegen verweerd. Zij heeft aangevoerd dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij haar in Den Haag dienen te hebben. Daar gaan de minderjarigen naar school en is hun huisarts gevestigd. Voorts heeft de moeder naar voren gebracht dat het thans goed gaat met de minderjarigen.
6.
De raad heeft ter zitting kenbaar gemaakt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder dient te zijn, gelet op de omstandigheid dat zij aldaar naar school gaan en hun huisarts in dezelfde woonplaats is gevestigd.
7.
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, Burgerlijk Wetboek heeft de rechtbank een regeling inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag vastgesteld, inhoudende de beslissing bij welke ouder de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben. Ingevolge het eerste lid van voormeld artikel neemt de rechter een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
8.
Het hof stelt vast dat tussen partijen veel is voorgevallen. Desondanks zijn partijen in staat geweest om - onder begeleiding - een co-ouderschap, ofwel een verdeling bij helfte van de zorgregeling, te realiseren. Voorts zijn beide ouders in beginsel voldoende in staat en toegerust om de minderjarigen te verzorgen en op te voeden. Het hof is van oordeel dat de minderjarigen op dit moment het meest gebaat zijn bij rust en stabiliteit. Zij gaan in de woonplaats van de moeder naar school en hun huisarts is eveneens daar gevestigd. Het is dan ook in hun belang wenselijk dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder in Den Haag zal zijn, zodat het hof de bestreden beschikking op dat punt zal bekrachtigen.
Zorgregeling
9.
Partijen hebben ter zitting verzocht de zorgregeling, zoals zij zijn overeengekomen, op te nemen in het dictum. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen, hetgeen leidt tot gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking.
10.
Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de zorgregeling betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt in het kader van verdeling van zorg- en opvoedingstaken de volgende tweewekelijkse zorgregeling vast, inhoudende dat de minderjarigen;
  • op maandag (uit school) bij de moeder verblijven;
  • op dinsdag bij de moeder verblijven;
  • op woensdag bij de moeder verblijven, voor het avondeten haalt de vader hen op (bij De Jutters);
  • op donderdag bij de vader verblijven;
  • op vrijdag bij de vader verblijven;
  • op zaterdag om 9.00 uur door de vader bij de moeder worden gebracht;
  • op zondag bij de moeder verblijven;
  • op maandag bij de moeder verblijven;
  • op dinsdag bij de moeder verblijven;
  • op woensdag bij de moeder verblijven;
  • op donderdag (uit school) bij de vader verblijven;
  • op vrijdag bij de vader verblijven;
  • op zaterdag bij de vader verblijven;
  • op zondag bij de vader verblijven;
  • op maandag (uit school) bij de moeder verblijven;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van Leuven en Burgerhart, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2013.