De moeder is in eerste aanleg ontheven van het ouderlijk gezag over haar drie minderjarige kinderen vanwege haar ongeschiktheid en onmacht om aan haar opvoedingsplicht te voldoen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege hun kwetsbare gezondheid en problematiek.
In hoger beroep verzet de moeder zich tegen deze beslissing en stelt dat zij onvoldoende kans heeft gekregen om haar opvoedingsvaardigheden te tonen door onderbrekingen in het hulpverleningstraject. Zij benadrukt haar betrokkenheid en het belang van het behoud van het gezag, mede gezien Europese rechtspraak.
Het hof oordeelt dat de moeder ondanks haar betrokkenheid niet in staat is de specifieke zorg te bieden die de kinderen nodig hebben. Het Uitwijktraject is negatief geëvalueerd en alternatieve lichtere maatregelen zijn onvoldoende om de dreiging voor de ontwikkeling van de kinderen af te wenden. Het belang van de minderjarigen weegt zwaarder dan het belang van de moeder.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en compenseert de proceskosten in hoger beroep, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.