ECLI:NL:GHDHA:2013:4122
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Lückers
- Husson
- Kamminga
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens te late betaling griffierecht
De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam inzake de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen. Het hof stelt vast dat het griffierecht niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na indiening van het beroepschrift is betaald, maar met een week vertraging.
De man voerde aan dat bijzondere omstandigheden, waaronder zwangerschapsklachten van zijn advocaat, de vertraging veroorzaakten en dat niet-ontvankelijkheid een onbillijke sanctie zou zijn die het recht op toegang tot de rechter zou schenden. Het hof overweegt dat de wettelijke regels duidelijk zijn en dat een advocaat verantwoordelijk is voor tijdige betaling.
Het hof verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het recht op toegang tot de rechter en de proportionaliteit van griffierechten. De hoogte van het griffierecht, de verhouding tot het belang van de zaak en de draagkracht van de man zijn in dit geval niet in strijd met het EVRM.
Het beroep op de hardheidsclausule faalt omdat geen feiten zijn aangevoerd die een onevenredige schending van belangen aantonen. Het hof concludeert dat de te late betaling voor rekening en risico van de man komt en dat geen onbillijkheid van overwegende aard is aangetoond.
Daarom verklaart het hof de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, waarmee het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens te late betaling van het griffierecht.