ECLI:NL:GHDHA:2013:4449
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorwaardelijke incidentele vordering tot afgifte van bescheiden wegens onvoldoende belang
In deze civiele procedure vorderde Hofstad c.s. voorwaardelijk incidenteel op grond van artikel 843a Rv de afgifte van diverse bescheiden, waaronder accountantsverklaringen, van Zürich en Rixtel. Deze vordering was afhankelijk gesteld van het oordeel van het hof over de hoofdzaak, met name of Zürich als rechthebbende op een depotbedrag moest worden beschouwd en of zij nog enige vordering had.
Het hof oordeelde dat deze voorwaardelijke vordering niet toewijsbaar was omdat het oordeel over de hoofdzaak nog niet was gegeven, en de voorwaarde voor de vordering derhalve niet was vervuld. Tevens was onvoldoende concreet en direct belang bij de gevorderde stukken aangetoond. Daarnaast werd geoordeeld dat artikel 843a Rv niet kan worden gebruikt om een partij te verplichten eerst een accountantsverklaring op te stellen alvorens inzage te vorderen.
Het hof wees de voorwaardelijke incidentele vordering af en veroordeelde Hofstad c.s. in de kosten van het incident. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling. Dit arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 26 november 2013.
Uitkomst: De voorwaardelijke incidentele vordering tot afgifte van bescheiden wordt afgewezen wegens onvoldoende concreet belang en het ontbreken van een oordeel in de hoofdzaak.