Uitspraak
Ouderlijk gezag ten aanzien van [minderjarige 3]
Zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen
Partneralimentatie
15 september 2011;
30 januari 2013.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele procedure stond het geschil centraal over het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de jongste minderjarige, de zorgregeling voor alle minderjarigen en de vaststelling van kinder- en partneralimentatie.
De man stelde het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de jongste minderjarige bij de moeder af te wijzen en wilde dat de hoofdverblijfplaats bij hem zou komen. De vrouw stelde zich op het standpunt dat het gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind zou zijn en voerde incidenteel appel aan tegen de gezagsbeslissing van de rechtbank. Het hof verklaarde dit incidenteel beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Het hof oordeelde dat het in het belang van de jongste minderjarige is dat haar hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, mede gelet op de stabiele situatie in het buitenland en het advies van de raad voor de kinderbescherming. De zorgregeling werd gehandhaafd met aandacht voor de lange reisafstand en het belang van samenhang tussen de minderjarigen. De alimentatieverzoeken konden niet worden toegewezen vanwege onvoldoende financiële informatie van beide partijen.
De proceskosten werden in hoger beroep gecompenseerd en verder werd het beroep van de man afgewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de hoofdverblijfplaats van de jongste minderjarige bij de moeder en wijst overige verzoeken af met compensatie van proceskosten.