ECLI:NL:GHDHA:2013:4452
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- M.J. Kamminga
- M. Mink
- J. Otter
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kinderalimentatie en draagkracht bij wijzigingsverzoek in hoger beroep
De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank over kinderalimentatie voor zijn minderjarige kind. De vader verzocht om verlaging van de alimentatie, terwijl de moeder een verhoging nastreefde. Het hof oordeelde dat een zelfstandig verzoek tot verlaging niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan, waardoor de vader niet-ontvankelijk werd verklaard in dit verzoek.
Het hof overwoog dat de oorspronkelijke overeenkomst uit 2009 een ondergrens van €140 per maand (geïndexeerd €143) vormt. De moeder stelde een hogere behoefte van het kind en een hogere bijdrage van de vader, maar kon dit niet voldoende onderbouwen. De draagkracht van de vader werd beoordeeld aan de hand van ingediende berekeningen, evenals de draagkracht van de moeder en haar echtgenoot, die mede onderhoudsplichtig is.
Gezien het ontbreken van gegevens over de stiefvader, schatte het hof diens draagkracht op basis van beschikbare informatie. Het hof concludeerde dat de moeder en haar echtgenoot samen het resterende aandeel van de kosten kunnen dragen. Het hof vernietigde de bestreden beschikking en stelde de bijdrage van de vader vast op €143 per maand met ingang van 1 september 2011. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €143 per maand vanaf 1 september 2011 en het verzoek tot verlaging wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.