ECLI:NL:GHDHA:2013:4493

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2013
Publicatiedatum
26 november 2013
Zaaknummer
200.102.566/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 FaillissementswetInvorderingswet 1990Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis over bodembeslag en bodemverhuurconstructie bij faillissement

Fortis Lease leaste machines aan [X] B.V., die eigendom van Fortis Lease bleven totdat [X] aan haar verplichtingen zou voldoen. Op 24 augustus 2009 werd een huurovereenkomst gesloten waarbij [X] haar bedrijfsactiviteiten zou staken. [X] werd op 25 augustus 2009 failliet verklaard. Op 28 augustus 2009 legde de Ontvanger bodembeslag op de productieruimte waar de machines stonden.

De rechtbank wees de vorderingen van Fortis Lease tot opheffing van het bodembeslag af. Fortis Lease ging in hoger beroep en stelde dat door de bodemverhuurconstructie de bodem niet langer van [X] was en het beslag daarom niet rechtsgeldig was. De Ontvanger voerde aan dat de bodem nog steeds van [X] was en dat Fortis Lease misbruik van recht maakte.

Het hof oordeelde dat de productieruimte op het moment van beslaglegging niet meer in gebruik was door [X], mede omdat de activiteiten waren gestaakt en de ruimte was afgesloten. Ook het feit dat de curator na het beslag toegang kreeg, leidde niet tot gebruik op het moment van beslag. Misbruik van recht door Fortis Lease werd verworpen omdat zij een gerechtvaardigd belang had om haar eigendom veilig te stellen.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde dat het bodembeslag de machines van Fortis Lease niet had getroffen en veroordeelde de Ontvanger in de kosten van beide instanties.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en verklaart dat het bodembeslag de machines van Fortis Lease niet heeft getroffen, waardoor de opbrengst aan Fortis Lease toekomt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht
Zaaknummer: 200.102.566/01
Rolnummer rechtbank: 383976 / HA ZA 11-27

arrest d.d. 22 oktober 2013

inzake

BNP PARIBAS LEASING SOLUTIONS N.V.,

voorheen Fortis Lease (Nederland
)N.V.,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
appellante,
hierna te noemen: Fortis Lease,
advocaat: mr. J.A. Stal te Amsterdam,
tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HAAGLANDEN,

mede kantoorhoudende te Den Haag,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de Ontvanger,
advocaat: mr. H.M. ten Haaft te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 2 januari 2012 is Fortis Lease in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 oktober 2011. Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis heeft Fortis Lease drie grieven tegen het vonnis geformuleerd. Deze zijn door de Ontvanger bestreden bij memorie van antwoord. Vervolgens hebben partijen ter terechtzitting van 20 augustus 2013 hun standpunten doen bepleiten. Aansluitend hebben zij op de pleitstukken, waartoe ook de pleitnota’s behoren, arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1.
Geen grieven zijn gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten. Ook het hof gaat van die feiten uit en verwijst voor een uitvoerige weergave naar rechtsoverweging 2 van het vonnis.
In het kort gaat het om het volgende. Fortis Lease leaste aan [X] B.V. (hierna: [X]) een aantal machines. Deze machines bleven eigendom van Fortis Lease totdat [X] aan al haar verplichtingen zou hebben voldaan. Op 24 augustus 2009 is tussen [X] en het Nederlandse Taxatie- en Adviesbureau B.V. (NTAB) als gevolmachtigde van onder meer Fortis Lease een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de productieruimte waarin onder meer bovengenoemde machines stonden. Daarbij is overeengekomen dat [X] haar bedrijfsactiviteiten zou staken. [X] is op 25 augustus 2009 in staat van faillissement verklaard. Mr. J.H. van der Weide is (thans) curator. Op 28 augustus 2009 heeft de Ontvanger zich door het verbreken van de door NATB aangebrachte sloten toegang verschaft tot de productieruimte en bodembeslag doen leggen. In de ruimte bevonden zich productiemachines, waaronder die van Fortis Lease, een partij reclamemateriaal ter bewerking door [X] en, in opslag, diverse zaken van [X] alsmede dossiers van derden.
3.
De rechtbank heeft de vorderingen van Fortis Lease tot, kort gezegd, opheffing van het bodembeslag op de machines afgewezen en Fortis Lease in de kosten veroordeeld.
4.
Fortis Lease vordert vernietiging van dit vonnis. Na wijziging van haar eis in hoger beroep, vordert zij thans een verklaring voor recht dat, kort gezegd, de voormelde machines niet door het bodembeslag zijn getroffen en de opbrengst van die machines aan haar toekomt, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten van beide instanties.
5.
De Ontvanger heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van Fortis Lease in de kosten van het hoger beroep.
6.
In geschil is of de bodemverhuurconstructie aan een rechtsgeldig bodembeslag in de weg staat.
7.1
Fortis Lease stelt zich op het standpunt dat als gevolg van de bodemverhuurconstructie de bodem niet langer van [X] was.
7.2
Het standpunt van de Ontvanger is (route a) dat sprake is van bodem van [X] op grond van gebruik en voorts (route b) dat Fortis Lease misbruik maakt van bevoegdheid en de bodemverhuurconstructie daarom niet kan tegenwerpen aan de ontvanger.
8.
Gebruik van de bodem
8.1
Gebruik dient te worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke situatie op het moment van beslaglegging. In het hiernavolgende wordt onder gebruik ook medegebruik verstaan.
Vaststaat dat de productieruimte op 24 augustus 2009 aan NTAB als gevolmachtigde van onder meer Fortis Lease is verhuurd, dat de data- en communicatielijnen tussen de productieruimte en de overige in het bedrijfspand bij [X] in gebruik zijnde ruimten zijn verbroken, dat de sloten zijn vervangen en de ruimte door middel van een nieuw slot is afgesloten en dat tussen 24 augustus 2009 en de datum van beslag, 28 augustus 2009, conform de afspraak dat [X] haar activiteiten onmiddellijk zou staken, geen activiteiten hebben plaatsgevonden. Ten tijde van het beslag was de ruimte afgesloten, werd er niet gewerkt en waren er geen personeelleden van [X] in de ruimte aanwezig. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de ruimte na 24 augustus 2009 bij [X] in gebruik was.
8.2
Dat [X] mogelijk niet bevoegd was de productieruimte in onderhuur te geven en dat de verhuurder van het pand zich mogelijk tegen het gebruik door Fortis Lease zou kunnen verzetten, kan noch op zichzelf noch in samenhang met de overige omstandigheden het oordeel rechtvaardigen dat [X] geen afstand heeft gedaan van het gebruik van de ruimte.
8.3
De omstandigheid dat de curator in de periode tussen het uitspreken van het faillissement op 25 augustus 2009 en de datum van het bodembeslag door NTAB is toegelaten tot de ruimte ter inventarisatie, leidt niet tot een ander oordeel over het bovenstaande of tot het oordeel dat de ruimte bij de curator in gebruik was. Het enkel opnemen van de feitelijke situatie kan niet worden beschouwd als gebruik in voornoemde zin. De rechten van de curator op grond van artikel 93 Faillissementswet Pro kunnen op zichzelf genomen, dus los van wat de curator feitelijk in de ruimte te doen had, niet tot het oordeel leiden dat sprake is van gebruik.
8.4
Dat de feitelijke situatie in de productieruimte zo was dat ondanks de staking van de activiteiten op 24 augustus 2009 de productie zou kunnen worden hervat en dat de curator dit na 28 augustus 2009, te weten op of rond 31 augustus 2009, ook heeft gedaan, betekent niet dat ten tijde van het beslag op 28 augustus 2009 sprake was van gebruik. Gelet op de aard van de in de productieruimte achtergebleven zaken - vaststaat dat de administratie van [X] zich in een andere ruimte bevond - kan niet gezegd worden dat de curator voor of op 28 augustus 2009 de ruimte in gebruik had.
9.
Een en ander betekent dat niet is komen vast te staan dat sprake is van (mede)gebruik van de bodem door de curator ten tijde van de beslaglegging. De tegen het andersluidende oordeel van de rechtbank gerichte grief slaagt derhalve. De overige grieven behoeven geen behandeling.
In het kader van de devolutieve werking van het appel, dient het tweede verweer van de Ontvanger (route b) te worden beoordeeld.
10.
Misbruik van recht
De Ontvanger heeft hiertoe aangevoerd dat [X] op 24 augustus 2009 niet in verzuim was en Fortis Lease dus het recht niet had de machines tot zich te nemen, zodat zij op dat moment geen belang had bij de bodemverhuurconstructie.
Dit standpunt wordt verworpen. Fortis Lease heeft een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 6, onder 1 en 1.5 van de op de leaseovereenkomst van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden, op grond waarvan [X] gehouden was Fortis Lease te vrijwaren voor beslag op de leaseobjecten. Gelet op deze verplichting kan niet gezegd worden dat Fortis Lease, toen zij vernam van de faillissementsaanvrage en dus kon vrezen voor bodembeslag, misbruik van recht jegens de Ontvanger maakte door jegens [X] aanspraak te maken op het verschaffen van de feitelijke macht over de machines door middel van de verhuurconstructie teneinde bodembeslag te voorkomen. Hieraan doet niet af dat Fortis Lease de overeenkomst op 24 augustus 2009 mogelijk nog niet formeel had ontbonden. Fortis Lease had een gerechtvaardigd belang bij de bodemverhuurconstructie teneinde haar eigendom veilig te stellen, zodat niet gezegd kan worden dat de daartoe gesloten overeenkomst slechts diende om de rechten van de Ontvanger te bekorten. Dit oordeel wordt niet anders indien zou vaststaan dat de verhuurconstructie mede plaatsvond op verzoek van [X] met het doel de machines mogelijk in het kader van een doorstart aan een derde te kunnen verhuren en Fortis Lease in dat verband zou hebben toegezegd de machines vooralsnog niet te zullen verwijderen.
Van misbruik van recht is dan ook niet gebleken.
11.
Het bewijsaanbod van de Ontvanger wordt als niet ter zake doend dan wel onvoldoende gespecificeerd afgewezen.
12.
Nu de grief tegen honorering van het eerste verweer slaagt en het tweede verweer faalt, dient het vonnis van de rechtbank te worden vernietigd. De Ontvanger zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 5 oktober 2011;
- verklaart voor recht dat het op 28 augustus 2009 door de Ontvanger gelegde beslag op de bodem van de productieruimte van[X] geen doel heeft getroffen wat betreft de aan Fortis Lease toebehorende en partijen genoegzaam bekende machines en dat de opbrengst van deze machines aan Fortis Lease toekomt;
- veroordeelt de Ontvanger in de kosten van beide instanties aan de zijde van Fortis Lease bepaald op:
eerste aanleg: € 568,-- aan vast recht, € 73,89 aan overige verschotten en € 904,-- (2 punten, tarief II) aan salaris voor haar advocaat;
hoger beroep: € 666,-- aan vast recht, € 76,17 aan overige verschotten en € 2.682,-- (3 punten, tarief II) aan salaris voor haar advocaat;
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Rijperman, M.M. Olthof en M.H. van der Woude en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2013 in aanwezigheid van de griffier.