Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 juli 2013
Hydepark Investments B.V.
Holding Calling Card International B.V.),
De Ontvanger van de Belastingdienst / Rijnmond,
De gedingen
Beoordeling van het beiderzijds ingestelde hoger beroep
haar griefheeft HCCI betoogd dat de rechtbank ten onrechte 22 oktober 2010 heeft aangemerkt als de ingangsdatum van de door de Ontvanger over het door hem terug te betalen bedrag verschuldigde wettelijk rente. Volgens HCCI had de wettelijke rente moeten worden toegewezen vanaf 2 augustus 2006, zijnde de datum die door de Ontvanger bij de omstreden verrekening als betaaldatum is gehanteerd.
eerste griefbenadrukt dat het bedrag van de vermindering op de naheffing CCI niet is gelijk te stellen aan de ten gevolge van die vermindering te betalen teruggave. De Ontvanger wijst erop dat de naheffing CCI vóór de vermindering nog niet geheel was betaald en dat op die aanslag nog een bedrag van € 15.434,- openstond. Volgens zijn
tweede griefheeft de rechtbank in haar vonnis ten onrechte toepassing gegeven aan civielrechtelijk regels, waaronder die betreffende onverschuldigde betaling. De Ontvanger voert aan dat de verplichting tot betaling van een belastingaanslag een bestuursrechtelijke geldschuld betreft, waarvoor met uitsluiting van het civiele recht slechts de specifieke regels gelden van de Invorderingswet 1990 en de Awb. Volgens de Ontvanger kan en moet een belastingteruggaaf slechts worden uitbetaald aan de belastingschuldige, als de geadresseerde van de aanslag, tenzij, zoals bij voorbeeld in artikel 54 IW Pro, uitdrukkelijk anders is bepaald. Daarmee heeft in de visie van de Ontvanger slechts CCI, en (dus) niet HCCI ten gevolge van de vermindering van de naheffing een vordering op de Ontvanger. Anders dan in het civiele recht doet daarbij niet ter zake of de aanslag door de geadresseerde is betaald of door een derde, aldus de Ontvanger, die daaraan toevoegt dat HCCI als gevolg van de verrekening hooguit een regresvordering heeft op CCI. De
derde griefvan de Ontvanger is van subsidiaire aard. Daarin betoogt hij dat voor zover al van een door HCCI verrichte onverschuldigde betaling zou moeten worden uitgegaan, de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de over € 72.810,- verschuldigde invorderingsrente. De verrekening vond immers plaats ná de vervaldag van de aanslag, aldus de Ontvanger. Met zijn
vierde griefheeft de Ontvanger zich ten slotte gekeerd tegen de proceskostenveroordeling.
integraalworden afgewezen. In de procedure met zaaknummer 200.107.836/01 heeft de Ontvanger te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat hij in die procedure zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Hieronder zijn begrepen de (nog te maken) nakosten, nu de vaststelling van de proceskosten door het hof ingevolge artikel 237, derde lid Rv beperkt is tot de vóór dit arrest gemaakte kosten. In de procedure 200.107.836/01 zullen de proceskosten worden gecompenseerd, aangezien partijen in dat hoger beroep over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld. Het hof ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in het voegingsincident.
Beslissing in de gevoegde zaken 200.107.805/01 en 200.107.836/01:
- veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het hoger beroep in de zaak 200.107.836/01, aan de zijde van HCCI tot op heden begroot op € 4.836,- aan verschotten en € 2.632,- aan salaris advocaat;
- compenseert de kosten van het hoger beroep in de zaak 200.107.805/01.