ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ1361
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- P.J.J. Vonk
- T.A. Gladpootjes
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over aanmerkingsvereiste van samenvoeging woningen als één eigen woning voor inkomstenbelasting
Belanghebbende en haar echtgenoot zijn gezamenlijk eigenaar van twee aan elkaar gebouwde tussenwoningen die na verbouwing onderling verbonden zijn door een doorgang en waarvan delen door familieleden worden bewoond. De Inspecteur had slechts één woning als eigen woning erkend voor de inkomstenbelasting, waardoor de hypotheekrenteaftrek beperkt werd.
De rechtbank had geoordeeld dat het om twee zelfstandige woningen ging, mede vanwege aparte kadastrale nummers, eigen voorzieningen en WOZ-waardering, en wees het beroep van belanghebbende af. Het Hof stelde echter vast dat de verbouwing en het gezamenlijke gebruik door belanghebbende, haar gezin en moeder ertoe leiden dat sprake is van één gebouw dat als eigen woning kan worden aangemerkt volgens artikel 3.111, eerste lid, Wet IB 2001.
Het Hof oordeelde dat de benedenetage van de buurwoning, bewoond door de moeder, geen zelfstandige woning vormt vanwege het ontbreken van een eigen toegang en het ontbreken van zelfstandige bestemming. Ook werd vastgesteld dat de moeder tot het huishouden behoort, terwijl de zuster slechts logeerruimte heeft.
Het Hof vernietigde de uitspraken van de rechtbank en op bezwaar, en vermindert de aanslagen voor 2006 en 2007 tot respectievelijk € 80.466 en € 53.043 belastbaar inkomen. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het Hof acht de woning en de aangekochte woning samen één eigen woning en vermindert de aanslagen inkomstenbelasting voor 2006 en 2007.