ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ2854
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing overgangsregeling extra afschrijvingskosten bij bedrijfsfusie in vennootschapsbelasting
In deze zaak staat centraal of belanghebbende, na een bedrijfsfusie waarbij onroerende zaken fiscaal geruisloos zijn ingebracht, een bedrag van € 89.214 aan extra afschrijvingskosten ten laste van de winst kan brengen op grond van artikel 10a.3, derde lid, van de Wet Inkomstenbelasting 2001.
Belanghebbende had in haar aangifte vennootschapsbelasting 2007 een belastbaar bedrag van € 188.903 opgegeven, inclusief de extra afschrijvingskosten. De Inspecteur corrigeerde deze kosten en verhoogde het belastbare bedrag met € 89.214. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, omdat zij geacht wordt in de plaats te zijn getreden van de BV die de onroerende zaken had ingebracht en reeds meer dan drie jaar had afgeschreven, waardoor de overgangsregeling niet van toepassing is.
Het Hof deelt deze zienswijze en wijst het hoger beroep af. De stelling van belanghebbende dat sprake zou zijn van een dubbele afschrijvingsbeperking wordt verworpen, omdat de stille reserves buiten de belastingheffing blijven en de reeds door de BV toegepaste afschrijvingen niet ongedaan worden gemaakt. Ook wordt geen strijd met algemene bestuursrechtelijke beginselen vastgesteld.
De uitspraak bevestigt dat de overgangsregeling van artikel 10a.3, derde lid, Wet IB 2001 niet kan worden toegepast indien de overdragende vennootschap reeds meer dan drie jaar heeft afgeschreven op de onroerende zaken, ook niet na een fiscaal geruisloze bedrijfsfusie.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting blijft ongewijzigd.