ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ4353

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.089.124-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis inzake telefoniecontract en cessie vordering Intrum Justitia

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant aansprakelijk was voor onbetaalde abonnementsgelden en gebruikskosten van drie telefoonaansluitingen waarvoor hij in 2007 contracten met Vodafone had afgesloten. Intrum Justitia had de vordering op appellant verkregen via een rechtsgeldige cessie van Vodafone.

Appellant voerde aan dat hij ten onrechte aansprakelijk werd gehouden voor een contract dat in 2009 door een ander op naam van zijn bedrijf was afgesloten zonder zijn bevoegdheid. Het hof oordeelde echter dat deze 2009-contracten niet relevant waren voor de vordering, die betrekking had op de contracten uit 2007.

Het hof stelde vast dat appellant ondanks de gelegenheid daartoe geen feiten of omstandigheden had gesteld die de rechtsgeldigheid van de cessie of de vordering konden betwisten. De grieven van appellant faalden daarom en het hof bekrachtigde het bestreden vonnis. Tevens werd appellant veroordeeld in de proceskosten, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
Zaaknummer : 200.089.124/01
Rolnummer rechtbank : 1029209 RL EXPL 11-1349
arrest d.d. 26 februari 2013
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. D.Th.J. van der Klei te ’s-Gravenhage,
Intrum Justitia Nederland B.V.,
gevestigd te ’s-Gravenhage,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Intrum Justitia,
advocaat: mr. M.J. Koning te Amsterdam.
Het verdere verloop van het geding
Voor het verloop van het geding tot 25 september 2012 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. [appellant] heeft hierna op 23 oktober 2012 een akte genomen. Tot slot hebben partijen opnieuw arrest gevraagd.
De verdere beoordeling
1. Het hof blijft bij zijn arrest van 25 september 2012. Bij dit arrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld te reageren op de door Intrum Justitia bij memorie van antwoord overgelegde producties 1 tot en met 14. [appellant] stelt in zijn hierna genomen akte dat hij zich voldoende heeft kunnen uitlaten en verwijst verder naar hetgeen hij eerder naar voren heeft gebracht. Hij herhaalt dat hij wordt belast voor verbruik van een ander.
2. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de in r.o. 4 van het tussenarrest weergegeven, door Intrum Justitia overgelegde producties (8 tot en met 14), dat sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vordering op [appellant] door Vodafone aan Intrum Justitia. [appellant] heeft, ondanks dat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit een andere conclusie volgt. Voor zover de grieven klagen dat de rechtbank Intrum Justitia ten onrechte ontvankelijk heeft geacht, falen de grieven dus.
3. Uit de akte leidt het hof voorts af dat [appellant] zijn stelling handhaaft dat hij ten onrechte aansprakelijk wordt gehouden voor een contract dat ene [X] op naam van het bedrijf van [appellant] in 2009 heeft afgesloten, zonder daartoe bevoegd te zijn. In reactie daarop heeft Intrum Justitia bij memorie van antwoord verklaard dat bedoeld contract uit 2009 in deze zaak niet relevant is omdat de gevorderde hoofdsom ziet op de onbetaald gelaten resp. gederfde abonnementsgelden en kosten van gebruik ten aanzien van drie telefoonaansluitingen waarvoor [appellant] zelf al eerder, namelijk in 2007, een contract met Vodafone heeft gesloten. Ter onderbouwing heeft zij bij memorie van antwoord de bewuste contracten uit 2007 (productie 1), het rekening- en betaaloverzicht (productie 2), de facturen (producties 3 tot en met 7, waarvan productie 7 de gederfde abonnementsgelden gedurende de resterende looptijd na ontbinding betreft) overgelegd, alsmede een overzicht van contacten tussen Vodafone en [appellant] (productie 8) respectievelijk een overzicht van contacten tussen haarzelf en [appellant] (productie 9). Ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft [appellant] hierop niet gereageerd. Aldus is de vordering onvoldoende gemotiveerd betwist. De grieven falen dan ook eveneens voor zover zij klagen dat de rechtbank de vordering ten onrechte heeft toegewezen.
4. De conclusie luidt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitkomst past dat [appellant] in de proceskosten wordt veroordeeld. Deze proceskostenveroordeling zal, zoals verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Intrum Justitia begroot op € 649,- aan griffierecht en € 632,- aan salaris advocaat;
- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, H.J.H. van Meegen en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2013 in aanwezigheid van de griffier.