ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ5749

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.117.535.01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Leuven
  • Van Dijk
  • Van der Linden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29b Wet op de JeugdzorgArt. 810 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging machtiging gesloten plaatsing minderjarige wegens gewijzigde omstandigheden

In deze zaak staat de machtiging tot gesloten plaatsing van een minderjarige centraal, verleend door de kinderrechter voor de periode van 10 oktober 2012 tot 10 april 2013. De vader van de minderjarige is in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking en betwist de noodzaak van de gesloten plaatsing.

Het hof heeft de feiten en het procesverloop beoordeeld, waarbij is vastgesteld dat de minderjarige sinds april 2012 in een gesloten instelling verblijft vanwege ernstige gedragsproblemen die zijn ontwikkeling belemmeren. De kinderrechter had de machtiging verlengd om het noodzakelijke onderzoek naar de mogelijkheden voor plaatsing in een gezin te kunnen uitvoeren. Inmiddels is de minderjarige overgeplaatst naar een open groep en is het persoonlijkheidsonderzoek afgerond.

Het hof oordeelt dat de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de gesloten plaatsing niet langer noodzakelijk is. De enkele vrees voor terugval in oud gedrag is onvoldoende om de zware maatregel voort te zetten. Daarom vernietigt het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de termijn en bepaalt dat de machtiging tot gesloten plaatsing eindigt op 1 maart 2013.

Uitkomst: De machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige wordt beëindigd per 1 maart 2013.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 20 februari 2013
Zaaknummer : 200.117.535/01
Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-999
[naam],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. A.H. Westendorp te Den Haag,
tegen
de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland te Leiden,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: Jeugdzorg.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[naam],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de minderjarige],
geboren op [datum in] 2000 te [geboorteplaats],
thans verblijvende in [gesloten instelling],
hierna te noemen: de minderjarige,
advocaat: mr P. Drenth te Den Haag.
Als informant is aangemerkt:
[naam],
zonder bekende woon- of verblijfplaats, feitelijk verblijvende te [plaats] op het adres van de vader,
hierna te noemen: de stiefmoeder.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 28 november 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 2 oktober 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.
Jeugdzorg heeft op 11 januari 2013 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 29 januari 2013 een brief van 25 januari 2013;
van de zijde van Jeugdzorg:
- op 24 januari 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage.
De raad heeft bij brief van 9 januari 2013 zijn rapport van 7 mei 2012 aan het hof overgelegd, met de mededeling aan het hof niet ter zitting te zullen verschijnen.
De zaak is op 30 januari 2013 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de heer P.G. Ziedses des Plantes (teamleider) en de heer J. van Schie (gezinsvoogd) namens Jeugdzorg;
- mr. P. Drenth, advocaat van de minderjarige.
De moeder en de stiefmoeder zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De minderjarige is in raadkamer gehoord in het bijzijn van zijn advocaat en een begeleider van [gesloten instelling].
Na de zitting is - volgens afspraak ter zitting - van de zijde van Jeugdzorg op 31 januari 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage, te weten het inleidend verzoekschrift van Jeugdzorg van 6 april 2012, bij het hof ingekomen.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg, van 10 oktober 2012 tot 10 april 2013, zulks ter effectuering van het aan die beschikking gehechte indicatiebesluit van 6 april 2012.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de minderjarige sinds 10 april 2012 verblijft te [gesloten instelling]. Jeugdzorg is belast met de voorlopige voogdij over de minderjarige.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de machtiging tot uithuisplaatsing gedurende dag en nacht van de minderjarige voor de periode van 10 oktober 2012 tot 10 april 2013 in een voorziening voor gesloten jeugdzorg.
2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, (het hof leest:) opnieuw beschikkende, te bepalen dat de minderjarige niet wordt opgenomen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.
3. Jeugdzorg verweert zich daartegen en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de bestreden beschikking, af te wijzen.
4. De vader stelt in zijn beroepschrift dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat opneming in een gesloten setting noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. De noodzaak voor een gesloten plaatsing is nergens uit gebleken, aldus de vader. Er heeft geen enkel onderzoek plaatsgevonden naar de vraag of de behandeling en begeleiding van de minderjarige vanuit de thuissituatie kan plaatsvinden. De vader heeft geconstateerd dat de minderjarige vanwege zijn verblijf bij [de gesloten instelling] in negatieve zin is veranderd. Dit baart hem zorgen. Ter zitting is namens de vader nog aanvullend verklaard dat hij bereid is alle hulp en begeleiding vanuit Jeugdzorg te accepteren.
5. Jeugdzorg kan zich niet verenigen met de stellingen van de vader en acht de bestreden beschikking en de gronden waarop die berust juist. De beslotenheid van [de gesloten instelling] heeft laten zien effectief te zijn geweest; de minderjarige is tot rust gekomen en daarnaast werkt hij samen met de begeleiding van [de gesloten instelling] aan zijn doelen. Vanaf december 2012 is de minderjarige binnen [de gesloten instelling] gaan wennen op een open groep. Inmiddels heeft ook het persoonlijkheidsonderzoek bij de minderjarige plaatsgevonden. De vragen hoe de resultaten van dit onderzoek dienen te worden geïnterpreteerd en hoe een en ander vorm dient te krijgen in een vervolgtraject komen binnenkort tijdens een overleg met de onderzoeker aan de orde, waarbij ook een gedragswetenschapper van Jeugdzorg aanwezig zal zijn. Jeugdzorg acht het noodzakelijk dat – gelet op het verleden en de aanwezige kans op een terugval – de machtiging gesloten plaatsing in stand blijft tot 10 april 2013. Een verlenging van die machtiging zal hoogstwaarschijnlijk niet worden aangevraagd. Jeugdzorg merkt voorts nog op dat de (on)begeleide bezoeken van de minderjarige aan de vader op verzoek van de minderjarige regelmatig niet zijn doorgegaan. De minderjarige ervaart tijdens die bezoeken een grote onvoorspelbaarheid bij de vader en voelt zich daardoor onveilig. Hij wenst in een pleeggezin te worden geplaatst. Anderzijds laat hij weten bij de vader en de stiefmoeder te willen wonen. Deze tegenstrijdige berichten zorgen ervoor dat er nog onduidelijkheid is over wat er nu speelt tussen de vader en de minderjarige. Als gevolg van een nieuwe voogd is de samenwerking met de vader thans in een opbouwend stadium, aldus Jeugdzorg.
6. De advocaat van de minderjarige heeft ter zitting laten weten dat de minderjarige baat heeft gehad bij de plaatsing in [de gesloten instelling]; in zijn ontwikkeling is een duidelijke groei zichtbaar. Het is in het belang van de minderjarige dat Jeugdzorg en de vader met elkaar gaan samenwerken en dat de vader de wensen van de minderjarige accepteert. De noodzaak van de gesloten uithuisplaatsing is echter komen te ontvallen, aangezien de minderjarige thans verblijft op een open groep binnen [de gesloten instelling]. De machtiging mag niet worden gebruikt als ‘stok achter de deur’, aldus de advocaat van de minderjarige.
7. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 29b, derde lid van de Wet op de jeugdzorg kan een machtiging tot opneming van een jeugdige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, ongeacht zijn instemming daarmee, slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.
8. Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de kinderrechter op goede gronden een (nieuwe) machtiging heeft verleend tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, maar is tevens van oordeel dat de omstandigheden inmiddels zodanig zijn gewijzigd dat een machtiging tot gesloten plaatsing niet langer noodzakelijk wordt geacht. Daartoe overweegt het hof als volgt.
9. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat de minderjarige in het verleden kampte met gedragsproblemen. Zo liet de minderjarige agressief gedrag zien en is hij verschillende keren weggelopen van huis alsmede van een tweetal instellingen waar hij op grond van een (gewone) machtiging tot uithuisplaatsing heeft verbleven tot eind maart 2012. De destijds ingezette hulpverlening heeft onvoldoende positief resultaat gehad. Sinds de gesloten plaatsing bij [de gesloten instelling] in april 2012 laat de minderjarige meer rust zien. Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg was het persoonlijkheidsonderzoek, ten einde duidelijkheid te krijgen of de minderjarige in een gezin kan functioneren en wat daar eventueel voor nodig is, nog niet gestart. Gelet op de noodzaak van dit onderzoek en het feit dat de minderjarige – gezien zijn gedragsproblemen – belang heeft bij rust en stabiliteit, heeft de kinderrechter naar het oordeel van het hof terecht overwogen dat dit onderzoek tijdens de continuering van het verblijf van de minderjarige in [de gesloten instelling] diende te worden verricht en dat de machtiging gesloten plaatsing derhalve diende te worden verlengd.
10. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de minderjarige vanaf december 2012 is overgeplaatst naar een open groep en dat het persoonlijkheidsonderzoek inmiddels is afgerond, hetgeen heeft geresulteerd in een verslag d.d. 19 december 2012. Uit dit verslag blijkt niet dat gesloten plaatsing thans nog langer nodig is. Binnenkort zal er op initiatief van Jeugdzorg een overleg plaatsvinden waarin de resultaten van dit onderzoek worden besproken. Tevens zal daarbij worden bezien – zo blijkt uit de informatie van Jeugdzorg ter zitting – wat het vervolgtraject voor de minderjarige dient te zijn. In samenspraak met het hof is ter zitting tussen de vader en Jeugdzorg afgesproken dat Jeugdzorg in de toekomst de vader zal betrekken bij de te nemen beslissingen, de vader de mening van de minderjarige zal respecteren voor zover die mening ook wordt ondersteund en gedragen door Jeugdzorg en dat de thuissituatie van de vader (meer) in beeld zal worden gebracht door Jeugdzorg, met medewerking van de vader.
11. Gelet op voormelde wijziging van omstandigheden bestaat er geen grond meer voor voortzetting van de machtiging gesloten plaatsing. De enkele vrees dat de minderjarige kan terugvallen in zijn oude patroon is naar het oordeel van het hof onvoldoende om een dergelijke zware maatregel te rechtvaardigen.
12. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen met betrekking tot de daarin vastgestelde termijn en bepalen dat de termijn van de machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige zal eindigen per 1 maart 2013.
13. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking, doch enkel wat betreft de daarin vastgestelde termijn;
bepaalt dat de termijn van de machtiging tot gesloten plaatsing van de minderjarige eindigt op 1 maart 2013;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Dijk en Van der Linden, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2013.