ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6382
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake belastingheffing bij staking onderneming en lijfrenteverplichting
Belanghebbende nam in 2004 de onderneming van zijn vader over, waarbij een lijfrenteovereenkomst werd gesloten. De vader bracht de onroerende zaak over naar zijn privévermogen en verhuurde deze aan belanghebbende. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting 2007 op met een belastbaar inkomen van €216.697.
Belanghebbende stelde dat de onderneming in 2006 was gestaakt en dat de lijfrenteverplichting niet bestond of was kwijtgescholden zonder dat dit tot winst leidde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigde deze uitspraak en oordeelde dat de onderneming pas in 2007 was gestaakt, mede gelet op omzetbelastingaangiften en registratie bij de Kamer van Koophandel.
Het hof stelde vast dat de lijfrenteovereenkomst wel degelijk bestond en dat de vader de vordering deels had kwijtgescholden in 2007, waardoor een winst van €170.725 werd gerealiseerd. De kwijtscheldingsvrijstelling werd afgewezen omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de rechten niet voor verwezenlijking vatbaar waren. Het belastbaar inkomen werd verminderd tot €117.623, rekening houdend met verliesverrekening en MKB-winstvrijstelling. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2007 tot een belastbaar inkomen van €117.623 en veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten.