ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6841

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.118.757-01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Kempen
  • Van Leuven
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ondertoezichtstelling minderjarigen wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De vader is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van zijn minderjarige kinderen, omdat de moeder door psychische problematiek niet in staat zou zijn een stabiele en veilige omgeving te bieden. De moeder betwist dit en stelt dat sinds het vertrek van de vader rust is teruggekeerd en dat vrijwillige hulpverlening voldoende is.

Het hof stelt vast dat de minderjarigen ernstig zijn beschadigd door langdurige spanningen, ruzies en geweld tussen de ouders. De communicatie tussen de ouders is ernstig verstoord en beide kampen met persoonlijke problematiek. De minderjarigen krijgen geen hulpverlening, terwijl het hof dit dringend noodzakelijk acht om verdere ontsporing te voorkomen.

Omdat vrijwillige hulpverlening niet van de grond is gekomen en niet te verwachten is, acht het hof een ondertoezichtstelling noodzakelijk om professionele begeleiding en zorg af te dwingen. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en stelt de minderjarigen onder toezicht voor een periode van een jaar, met benoeming van Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden als gezinsvoogdij-instelling.

Uitkomst: Het hof stelt de minderjarigen onder toezicht wegens ernstige bedreiging van hun ontwikkeling en benoemt een gezinsvoogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 27 maart 2013
Zaaknummer : 200.118.757/01
Rekestnummer rechtbank : 426719 JE RK 12-2519
[appellant],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. I. van Santbrink te Delft,
tegen
de raad voor de kinderbescherming,
regio Haaglanden en Zuid Holland-Noord,
locatie Den Haag,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Als belanghebbende zijn aangemerkt:
1. de Stichting Bureau Jeugdzorg te Den Haag,
hierna te noemen: Jeugdzorg;
2. [belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. W.N. van der Voet te Delft.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vader is op 17 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 september 2012 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.
De moeder heeft op 11 februari 2013 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 31 januari 2013 een brief van 30 januari 2013 met bijlage.
De raad heeft bij brief van 29 januari 2013 aan het hof medegedeeld dat zij geen schriftelijk verweer zal voeren, maar wel ter zitting aanwezig zal zijn.
De zaak is op 13 maart 2013 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de heer J. Ekkels namens de raad;
- de heer R. Pronk namens Jeugdzorg.
De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen [naam], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], en [naam], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] (hierna: de minderjarigen), afgewezen.
Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen alsnog toe te wijzen.
3. De moeder verweert zich hiertegen en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vader af te wijzen, en de vader wegens oneigenlijk gebruik van de ondertoezichtstellingprocedure te veroordelen in de kosten van deze procedure.
4. De vader stelt dat de moeder door haar psychische problematiek niet in staat is de minderjarigen een rustige, veilige en stabiele omgeving te bieden waarin ook ruimte is voor omgang met de vader. De moeder onttrekt zich aan hulpverlening en weert de vader; hij mag de minderjarigen uitsluitend in haar bijzijn zien. Het afhouden van een gezond contact met de vader levert een bedreiging van de geestelijke en zedelijke belangen van de minderjarigen op. De vader heeft inmiddels een verzoek tot omgang ingediend bij de rechtbank. Partijen hebben daarnaast hulp nodig om hun relatie met elkaar en met de minderjarigen vorm te geven. De vader heeft woonbegeleiding en verslavingszorg, en stelt soms een terugval te hebben die echter mede te wijten is aan de uitzichtloze situatie waar het de omgang met zijn kinderen betreft. Daarnaast heeft de vader medicijnen voor zijn ADHD.
5. De moeder is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de informatie in het raadsrapport van 29 augustus 2012 gedateerd is. Sinds de vader in april 2012 is vertrokken, is er rust gekomen in het gezin en is er geen reden voor een ondertoezichtstelling. Deze is ook niet bedoeld om omgang tussen de vader en de minderjarigen tot stand te brengen. De minderjarigen ontwikkelen zich goed en indien er hulpverlening nodig zou zijn, dan zal de moeder die benaderen. Zo heeft zij drie telefonische gesprekken gevoerd met een medewerkster van Jeugdzorg. Tot nog toe is zij met de minderjarigen echter niet doorverwezen door haar huisarts, aangezien deze van mening is dat de minderjarigen niet knel zitten. De moeder wil niet in de weg staan aan contact tussen de vader en de minderjarigen, maar is van mening dat dit rustig opgebouwd dient te worden door middel van het versturen van kaartjes.
6. De raad handhaaft het verzoek om de minderjarigen onder toezicht te stellen. De minderjarigen worden bedreigd in hun ontwikkeling doordat zij jarenlang zijn bloot gesteld aan spanning en geweld binnen het gezin. Die bedreiging kan alleen worden afgewend door (intensieve) hulpverlening, die niet in het vrijwillige kader van de grond komt. De problemen rond omgang vormen een onderdeel van het geheel. Omgang is dus slechts één van de aandachtspunten. De moeder heeft een persoonlijkheidsstoornis en last van depressieve gevoelens. De vader is afhankelijk van drugs en alcohol.
7. Jeugdzorg bevestigt ter zitting dat hulpverlening in een vrijwillig kader niet tot stand is gekomen en dat deze bij een ondertoezichtstelling kan worden geïndiceerd en afgedwongen. Jeugdzorg heeft er zelf nog geen zicht op of hulp noodzakelijk is. Niet duidelijk is welke vragen de moeder telefonisch aan Jeugdzorg heeft voorgelegd. Aan het feit dat er in het vrijwillige kader geen hulp tot stand is gekomen kan Jeugdzorg, bij gebrek aan informatie op basis van eigen waarnemingen, geen conclusies verbinden.
8. Het hof is van oordeel dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is in het belang van de minderjarigen en overweegt daartoe als volgt.
9. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de minderjarigen zwaar beschadigd zijn door vanaf hun geboorte stress, ruzies en geweld tussen de ouders te moeten meemaken; dit wordt erkend door de ouders. Voorts is gebleken dat de verhouding tussen de ouders ernstig verstoord is en communicatie tussen hen niet mogelijk is. Het feit dat de vader nu bijna een jaar geleden is verhuisd en daarmee een eind is gekomen aan het geweld tussen partijen in de thuissituatie, betekent naar het oordeel van het hof niet dat de minderjarigen daarmee niet langer worden bedreigd in hun ontwikkeling. Gebleken is dat beide ouders kampen met persoonlijke problematiek. Terwijl de vader hierin begeleid wordt, heeft de moeder geen hulpverlening. Voorts is gebleken dat de minderjarigen geen hulpverlening krijgen, terwijl het hof deze dringend noodzakelijk acht, gelet op de traumatische gebeurtenissen in hun leven. Zonder inzet van professionele begeleiding, zorg en hulp is de kans dat de bedreigingen van een goede ontwikkeling van de minderjarigen zich zullen gaan vertalen in daadwerkelijk ontsporend gedrag en ernstige tekortkomingen, groot te noemen.
10. Nu vast is komen te staan dat vrijwillige hulpverlening voor de minderjarigen tot heden niet van de grond is gekomen en niet aannemelijk is dat dat alsnog vrijwillig zal geschieden, acht het hof een beschermingsmaatregel noodzakelijk. Op die wijze kan de noodzakelijke hulpverlening, zo nodig na verder onderzoek, worden ingezet. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en dienovereenkomstig beslissen.
11. Het hof ziet geen aanleiding de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure, zodat het verzoek van de moeder daartoe zal worden afgewezen.
12. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:
stelt de minderjarigen [naam], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], en [naam], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] met ingang van heden onder toezicht voor de periode van een jaar;
benoemt tot gezinsvoogdij-instelling: Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, locatie Delft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van Leuven en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2013.