ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6927

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
200.104.419/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • mrs. Kamminga
  • van Nievelt
  • van Kempen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige wegens contra-indicaties

In deze zaak staat de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige kind centraal. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om het omgangsrecht aan de vader te ontzeggen, omdat hij kennelijk ongeschikt en niet in staat wordt geacht tot omgang. Dit advies is gebaseerd op factoren zoals onbehandelde verslavingsproblematiek, gebrek aan stabiele huisvesting en inkomsten, en een beperkt introspectief vermogen.

De vader betwist dit advies en wenst dat de omgang via het Omgangshuis wordt opgestart. Hij erkent zijn verleden met alcohol en drugsgebruik, maar stelt dat hij hiermee gestopt is en momenteel bezig is met het verkrijgen van een vaste woon- en werksituatie. De moeder onderschrijft het advies van de raad en verzoekt het hof het verzoek van de vader af te wijzen.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:377a BW een minderjarige en de niet met gezag belaste ouder recht hebben op omgang, tenzij dit in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Gezien de contra-indicaties en het ontbreken van voldoende vooruitgang bij de vader, acht het hof omgang op dit moment schadelijk voor het belang van de minderjarige. Ook een informatieregeling wordt niet vastgesteld omdat dit niet onderdeel van het geschil was.

Het hof vernietigt de bestreden beschikking en ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseert de proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hof ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige wegens contra-indicaties.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 27 maart 2013
Zaaknummer : 200.104.419/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 10-10289
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. G.A.S. Maduro te Rotterdam,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat voorheen mr. M.W.A. Scholtes, thans mr. F.L. Oudshoorn te Zoetermeer.
In verband met het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
Voor het procesverloop in hoger beroep verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 11 juli 2012, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Bij die tussenbeschikking heeft het hof de raad verzocht het reeds in gang gezette onderzoek naar de mogelijkheden om een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), af te maken en daaromtrent rapport en advies uit te brengen. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
De raad heeft bij brief van 16 november 2012 zijn rapport van 13 november 2012 aan het hof overgelegd.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vader:
- op 13 december 2012 een brief van 7 december 2012 met bijlagen;
van de zijde van de moeder:
- op 7 januari 2013 een faxbericht van diezelfde datum.
VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige.
2. De raad adviseert het hof om de vader het recht op omgang met de minderjarige te ontzeggen omdat de vader kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang.
3. De vader kan zich niet verenigen met het advies van de raad en wenst dat de omgang tussen hem en de minderjarige bij het Omgangshuis wordt opgestart.
4. De moeder onderschrijft het raadsadvies en verzoekt het hof het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen.
5. De raad baseert zijn advies op het volgende. De vader beschikt niet over stabiele huisvesting en inkomsten, er is sprake van onbehandelde verslavingsproblematiek, hij reageert vanuit primaire emoties en is niet in staat het perspectief van de minderjarige in te nemen en vanuit haar belang op een juiste wijze invulling te geven aan zijn rol van vader op afstand. De vader redeneert vanuit een egocentrisch perspectief en heeft geen besef van de impact van zijn handelen in het verleden op de minderjarige en hij zou met de kennis van nu ook niet anders hebben willen handelen. De vader beschikt over een beperkt introspectief vermogen en probleembesef en hij is geneigd primair te reageren. Dit alles maakt dat de vader naar het oordeel van de raad kennelijk ongeschikt en kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met de minderjarige. Eventuele begeleiding bij een Omgangshuis volstaat op dit moment niet om de contra-indicaties weg te nemen.
6. De vader stelt dat de minderjarige twee ouders nodig heeft, dat zij recht heeft om te weten wie haar biologische vader is en dat zij recht heeft om omgang te hebben met haar vader. De door de raad genoemde contra-indicaties zijn ondervangen, dan wel kunnen ondervangen worden. De vader erkent dat hij in het verleden dronk en weleens hasj gebruikte, maar stelt dat hij dit thans niet meer doet. Daarnaast is de vader druk doende om een vast adres, een vaste baan of een uitkering te krijgen. Tot slot stelt de vader dat het hem bevreemdt dat de raad niet adviseert om in ieder geval een informatieregeling op te leggen. De vader stelt dat de raad zijn rechten en behoeften als vader op omgang met en/of informatie over de minderjarige niet serieus neemt.
7. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek hebben een minderjarige en de niet met het gezag belaste ouder recht op omgang met elkaar, tenzij sprake is van één van de in het derde lid van dit artikel limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van dit recht, welke gronden als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige.
8. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat omgang op dit moment in strijd is de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de vader geen enkel inzicht heeft getoond in de consequenties van zijn handelen voor de minderjarige, dat hij beschikt over een beperkt introspectief vermogen en probleembesef, dat hij niet beschikt over stabiele huisvesting en inkomsten en dat sprake is van onbehandelde verslavingsproblematiek. De enkele stelling van de vader dat hij doende is een woning en inkomsten te verwerven en dat hij niet langer alcohol of drugs gebruikt, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om de contra-indicaties weg te nemen. Begeleiding door het Omgangshuis is naar oordeel van het hof evenmin afdoende om de contra-indicaties weg te nemen. Het voorgaande brengt mee dat de vader kennelijk ongeschikt en kenne¬lijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met de minderjari¬ge. Het hof zal de vader het recht op omgang met de minderjarige daarom ontzeggen.
9. Ten aanzien van de stelling van de vader dat het hem bevreemdt dat de raad niet adviseert een informatieregeling op te leggen, overweegt het hof als volgt. De vader heeft noch in eerste aanleg, noch bij het hof een verzoek ingediend om het vaststellen van een informatieregeling. Nu het al dan niet vaststellen van een informatieregeling geen onderdeel uitmaakt van het aan de rechtbank en het hof voorgelegde geschil tussen partijen, is er voor de raad geen enkele aanleiding geweest daaromtrent te adviseren. Voor het hof is hier dus evenmin een taak weggelegd.
10. Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.
11. Dit leidt tot de volgende beslissing.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:
ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarige;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, van Nievelt en van Kempen, bijgestaan door Hogendoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2013.