ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9512
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake alleenstaande-ouderkorting bij gezamenlijke huishouding
Belanghebbende, geboren in 1996, diende bezwaar in tegen de aanslag inkomstenbelasting 2009 waarbij de alleenstaande-ouderkorting niet werd toegepast. Zij woont met haar dochter op hetzelfde adres als haar ouders en broer, die ook volwassen zijn en ingeschreven staan in de GBA. Belanghebbende huurt twee slaapkamers van haar ouders tegen een maandelijkse vergoeding van € 272,27, die zij als kostgeld beschouwt.
De rechtbank oordeelde dat sprake is van een gezamenlijke huishouding omdat meerdere volwassenen op hetzelfde adres wonen en belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen deel uitmaakt van het huishouden van haar ouders en broer. Het betaalde bedrag is te laag om van een commerciële relatie te spreken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eerdere brieven van de Inspecteur duidelijk maakten dat geen recht op de korting bestond.
In hoger beroep bevestigde het Hof dit oordeel. Het stelde vast dat de wet vereist dat de belastingplichtige een huishouding voert met geen ander dan kinderen jonger dan 27 jaar om recht te hebben op de alleenstaande-ouderkorting. Belanghebbende maakte onvoldoende aannemelijk dat zij een commerciële vergoeding betaalde voor huisvesting en voeding. Het Hof verwierp ook haar beroep op het vertrouwensbeginsel en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag zonder toepassing van de alleenstaande-ouderkorting wordt bevestigd.