ECLI:NL:GHDHA:2013:CA0536
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake uitlevering aan VS en voortzetting medische behandeling PTSS
De zaak betreft het hoger beroep van de Staat tegen een vonnis dat de uitlevering van [X] aan de Verenigde Staten verbood zolang geen garantie wordt gegeven dat zijn EMDR-behandeling wordt voortgezet. [X] lijdt aan PTSS als gevolg van foltering in Pakistan en ondergaat in Nederland een EMDR-therapie. De Minister had de uitlevering toegestaan onder de voorwaarde dat de benodigde behandeling wordt voortgezet.
De voorzieningenrechter had geoordeeld dat de Staat een onvoorwaardelijke garantie had gegeven dat uitsluitend EMDR zou worden voortgezet, en dat het aanbieden van een alternatieve behandeling (CBT) onvoldoende was, waardoor uitlevering onrechtmatig zou zijn. Het hof stelt vast dat de Minister niet expliciet EMDR heeft gegarandeerd, maar heeft gesproken over "de benodigde behandeling". Het advies van deskundige Van Marle ondersteunt dat ook andere effectieve therapieën toereikend kunnen zijn.
Het hof overweegt dat het niet aan de rechter is om te bepalen welke therapie passend is en dat het niet aannemelijk is dat de alternatieve Trauma Focused CBT bijzondere hardheid oplevert. Bovendien is niet uitgesloten dat EMDR in de VS kan worden toegepast indien passend bevonden. Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vorderingen van [X] af, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof vernietigt het verbod op uitlevering en wijst de vorderingen af, waarbij uitlevering kan plaatsvinden onder de voorwaarde dat de benodigde behandeling wordt voortgezet.