ECLI:NL:GHDHA:2013:CA3993
Gerechtshof Den Haag
- Cassatie
- Kamminga
- Mink
- Van de Poll
- Rechtspraak.nl
Verdeling en waardering van medeeigendom en financiële afwikkeling na echtscheiding
In deze zaak staat de financiële afwikkeling na echtscheiding centraal, met name de verdeling van het pand aan de [straat A], de huurinkomsten, een vermeende lening van €30.000,- voor de aankoop van het pand aan de [straat B], en de verdeling van een bankrekening.
De man stelde dat de WOZ-waarde van het pand leidend was, maar het hof oordeelde dat de taxatiewaarde van €320.000,-, gebaseerd op verhuurde staat, correct is. De man heeft recht op 30% van deze taxatiewaarde, niet slechts 30% van de overwaarde. De vrouw krijgt het pand toegewezen en neemt de hypotheekschuld voor haar rekening.
Ten aanzien van de huurinkomsten oordeelt het hof dat de vrouw, die alle lasten betaalde en het pand gebruikte voor haar kapsalon, geen verplichting heeft om de man te compenseren voor 30% van de huuropbrengsten, afwijkend van artikel 3:172 BW Pro.
Verder is vastgesteld dat de vermeende lening van €30.000,- niet terugbetaald hoeft te worden omdat het bedrag als inbreng in het eigendom van de vrouw is gebruikt. Wel moet de vrouw €2.286,- betalen aan de man als zijn aandeel in een bedrag van €4.573,- dat is gebruikt voor de aankoop van het pand aan de [straat B].
Het saldo van de gezamenlijke bankrekening wordt aan de vrouw toegewezen zonder verrekening. Het hof compenseert de proceskosten en verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof wijst het pand toe aan de vrouw en bepaalt dat zij de man €96.000,- plus €2.286,- met rente moet betalen.