ECLI:NL:GHDHA:2013:CA4019
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Kamminga
- Labohm
- Van Dijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over nalatenschap en erfdeelverdeling tussen zussen en hun erfgenamen
In deze zaak staat de verdeling van de nalatenschap van de in 2002 overleden vader van drie zussen centraal. De erfgenamen zijn de drie dochters, en hun respectievelijke erfgenamen zijn eveneens betrokken. Een belangrijk geschilpunt betreft de verwerping van de nalatenschap door de zoon van een van de zussen, die het hof juridisch niet erkent omdat hij zelf geen erfgenaam van de overledene is, maar slechts van zijn moeder.
Daarnaast is er discussie over de samenstelling van de nalatenschap, met name over de vraag of bepaalde schilderijen nog tot de nalatenschap behoren of reeds verdeeld zijn. Het hof volgt de rechtbank in de conclusie dat de inboedel, inclusief de schilderijen, kort na het overlijden is verdeeld en dat de schilderijen niet meer tot de onverdeelde nalatenschap behoren.
Verder is er een geschil over de notariskosten en de aanspraak op wettelijke rente. Het hof oordeelt dat de notariskosten terecht ten laste van de nalatenschap zijn gebracht en wijst de vordering tot rente af wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een ingebrekestelling.
Het hof vernietigt het vonnis van 24 augustus 2011 en wijst alle vorderingen af, waarbij elke partij haar eigen proceskosten draagt. Tevens wordt vastgesteld dat de zoon van de tweede zus als erfgenaam van zijn moeder recht heeft op het erfdeel van zijn moeder in de nalatenschap van de overledene.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst alle vorderingen af, waarbij de zoon van zus 2 als erfgenaam wordt erkend.