Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 25 februari 2014
Het geding
- de minderjarige elke woensdag en zaterdag van 10.00 tot 16.00 bij zich zal hebben, waarbij de man de minderjarige zal halen en brengen;
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen de minderjarige bij zich zal hebben, waarbij de man de minderjarige zal brengen en halen.
Beoordeling in hoger beroep
- De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad;
- Uit deze relatie is op [datum] 2010 geboren [naam kind] (hierna: de minderjarige);
- De relatie tussen partijen is eind november 2012 beëindigd doordat de vrouw met de minderjarige uit de woning is vertrokken;
- Na het verbreken van de relatie is een regeling overeengekomen, inhoudende dat de minderjarige elke woensdag en zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de man verblijft. Conform deze regeling heeft omgang plaatsgevonden tot 11 januari 2013;
- Op 11 januari 2013 heeft de vrouw de man laten weten dat de omgangsregeling niet kon worden gecontinueerd. Sedertdien verblijft de vrouw met de minderjarige op een voor de man geheime plaats;
- In onderhavige zaak vordert de man een voorlopige omgangsregeling vast te stellen;
- In het bestreden vonnis is de vordering van de man afgewezen. De voorzieningenrechter was van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarige is een omgangsregeling vast te stellen zonder hierover advies te hebben van de Raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). Die beslissing van de voorzieningenrechter is mede daardoor ingegeven dat de man reeds voornemens was op korte termijn een bodemprocedure aanhangig te maken ter vaststelling van een definitieve omgangsregeling;
- Bij genoemde beschikking van de rechtbank Den Haag van 23 september 2013 is in laatstgenoemde bodemprocedure de raad verzocht een onderzoek te verrichten als bedoeld in de overwegingen van die beschikking en daarover te rapporteren en adviseren. Dat onderzoek betreft zowel de erkenning van de minderjarige, als de vraag of er ernstige bezwaren als genoemd in artikel 1:377a, derde lid BW zijn die in de weg staan aan omgang tussen de man en de minderjarige, en zo nee, welke (opbouw en omvang van een eventuele) omgangsregeling in het belang van de minderjarige is.