Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
- appellanten zijn van mening dat het contract in voldoende duidelijke bewoordingen is gesteld en derhalve geen ruimte laat voor de door de rechtbank gekozen benadering van uitleg van de overeenkomst;
- artikel 11 onderscheidt Pro niet tussen een einde vanwege opzegging door een commanditaire of vanwege een opzegging door de beherende vennoot;
- de artikelen 12 en 13 zijn kennelijk, gegeven hun aanhef, geschreven voor de opzegging door een commanditaire (12), respectievelijk de beherende vennoot (13);
- het enige verschil in de opzegging door een commanditaire en de opzegging door de beherende vennoot zit hem in de wijze waarop daarna kan worden besloten tot voortzetting van de vennootschap;
- de artikelen 12 en 13 zijn in hun onderlinge samenhang voldoende duidelijk geredigeerd;
- de verliezen over 2009 en 2010 waarvoor appellante sub 1 ingevolge artikel 12 een Pro reserve inhoudt op het uit te keren vermogen, waren op 31 december 2008 geheel te voorzien.
- in punt 10 van haar memorie van antwoord stelt zij: “Hoewel de rechtbank mogelijk langs een enigszins andere route tot de slotsom is gekomen dat aan [de vrouw] haar kapitaal dient te worden uitgekeerd dient het vonnis te worden bekrachtigd zo nodig onder wijziging van de daartoe bestemde overwegingen.”;
- hoewel geïntimeerde daar nimmer stukken van heeft gezien c.q. zijn overgelegd gaat zij er van uit dat appellante sub 1 in dezelfde samenstelling is voortgegaan behoudens geïntimeerde. In die zin heeft appellante sub 1 gebruik gemaakt van het bepaalde in artikel 13;
- in artikel 13 staat Pro met zoveel woorden dat in geval er sprake is van het voortzetten van de vennootschap, de vennootschap aan de uittredende vennoot overeenkomstig artikel 11 zou Pro dienen uit te betalen de “
- ten onrechte wordt door appellanten aangegeven dat het bepaalde van artikel 12 ook Pro op artikel 13 in Pro gelijke bewoordingen van toepassing zou zijn.