ECLI:NL:GHDHA:2014:1511
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- C.G.M. van Rijnberk
- H.P.Ch. van Dijk
- T.L. Tan
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van ontuchtige handelingen met minderjarige
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor vermeende ontuchtige handelingen met een minderjarige van twaalf jaar. De tenlastelegging omvatte primair seksueel binnendringen met vingers of een stuk zeep, subsidiair het inzepen en betasten van het lichaam van het slachtoffer, en meer subsidiair het zich opzettelijk oneerbaar bevinden met ontbloot geslachtsdeel in een doucheruimte.
De rechtbank sprak verdachte in eerste aanleg vrij, waarna het Openbaar Ministerie hoger beroep instelde. Het hof heeft het dossier en de verklaringen, waaronder die van verdachte en het slachtoffer, zorgvuldig beoordeeld. Hoewel verdachte erkende dat zijn gedrag in strijd was met maatschappelijke normen, achtte het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat hij de verdergaande ontuchtige handelingen heeft gepleegd zoals tenlastegelegd.
De verklaring van het slachtoffer werd onvoldoende ondersteund door andere bewijsmiddelen. Ook het meer subsidiaire feit van het zich oneerbaar bevinden werd niet bewezen geacht. Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte opnieuw vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor de tenlastegelegde ontuchtige handelingen.