ECLI:NL:GHDHA:2014:1689

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 mei 2014
Publicatiedatum
15 mei 2014
Zaaknummer
200.136.582.01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Kamminga
  • Van Kempen
  • Stollenwerck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 278 RvArt. 289 RvArt. 362 RvArt. 359 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep partneralimentatie met proceskostenveroordeling

De vrouw kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank waarin de partneralimentatie was vastgesteld op €400 per maand vanaf 1 januari 2013. Zij verzocht vernietiging van deze beschikking en stelde dat haar verweerschrift in eerste aanleg onterecht buiten beschouwing was gelaten.

Het hof beoordeelde de ontvankelijkheid van het hoger beroep en stelde vast dat het beroepschrift van de vrouw geen concrete gronden bevatte waarop het beroep was gebaseerd. Zij verwees slechts naar een verweerschrift dat niet in het procesdossier zat en gaf geen duidelijke grieven aan tegen de bestreden beschikking.

Daarom werd de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Tevens oordeelde het hof dat het hoger beroep onnodig was en veroordeelde de vrouw in de proceskosten van de man, een bedrag van €3.906,31. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Hof verklaart vrouw niet-ontvankelijk in hoger beroep en veroordeelt haar in proceskosten van €3.906,31.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 14 mei 2014
Zaaknummer : 200.136.582/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-4462
Zaaknummer rechtbank : C/09/444640
[de vrouw],
wonende te [plaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M.D.L.C.C.C. van Rooij te Amsterdam,
tegen
[de man],
wonende te [plaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.C. Herweijer te Rijswijk.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De vrouw is op 4 november 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 augustus 2013 van de rechtbank Den Haag.
De man heeft op 3 december 2013 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
van de zijde van de vrouw:
- op 12 december 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- op 25 maart een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;
- op 26 maart 2014 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.
De zaak is op 4 april 2014 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
Verder was aanwezig een stagiaire van het kantoor van de advocaat van de vrouw.
De advocaat van de man heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd met daarbij een overzicht van de gemaakte kosten van de man in hoger beroep (kosten advocaat en griffierecht). Tegen overlegging van dit overzicht is door de wederpartij geen bezwaar gemaakt.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij beschikking van 17 juli 2012 van de rechtbank Haarlem is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover in hoger beroep van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 1.820,- per maand.
Bij de bestreden beschikking is – met wijziging in zoverre van voormelde beschikking – de door de man met ingang van 1 januari 2013 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op € 400,00 per maand bepaald. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat vast dat de echtscheidingsbeschikking op 22 augustus 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, hierna ook: partneralimentatie.
2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel de partneralimentatie met ingang van 1 juli 2012 te bepalen op € 2.836,56 per maand, althans te bepalen op een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren.
3. De vrouw stelt daartoe dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek van de man als niet weersproken en als op de wet gegrond kan worden toegewezen. Volgens haar had de rechtbank haar verweerschrift, dat zij binnen de wettelijke termijn had ingediend, in behandeling moeten nemen en bij haar beoordeling moeten betrekken. Nu de rechtbank dit heeft nagelaten (en dus een fout heeft gemaakt), verzoekt de vrouw alsnog in hoger beroep uitspraak te doen op de gronden van haar verweerschrift in eerste aanleg.
4. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans haar grief ongegrond te verklaren/af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de reële kosten van deze procedure.

Ontvankelijkheid

5.
Het hof zal, zoals ook aan partijen is medegedeeld ter zitting, eerst ingaan op de vraag of de vrouw ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep.
6.
Ingevolge artikel 359 in Pro verbinding met artikel 278 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het appelschrift de gronden waarop het appel berust te bevatten, hetgeen wil zeggen dat uit het beroepschrift moet blijken op welke gronden de vrouw van mening is dat de bestreden beschikking onjuist is.
7.
Het hof is van oordeel dat het beroepschrift van de vrouw niet voldoet aan bovenvermelde eis, zodat zij in het hoger beroep niet kan worden ontvangen. De vrouw heeft in haar beroepschrift namelijk in het geheel geen gronden geformuleerd tegen de beslissing van de rechtbank. Zij stelt weliswaar dat er door de rechtbank een (procedurele) fout is gemaakt waardoor haar verweerschrift in eerste aanleg niet in de beslissing is betrokken en dat de zaak thans opnieuw moet worden bekeken, - waartoe het hoger beroep mede dient - doch zij geeft vervolgens in haar beroepschrift niet aan op welke gronden de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn inleidend verzoek dan wel waarom de partneralimentatie met ingang van 1 juli 2012 moet worden bepaald op € 2.836,56 per maand (voor zover de vrouw dit laatste in hoger beroep al zou kunnen verzoeken). Zij verwijst naar een verweerschrift, dat in de eerste aanleg geen processtuk is geweest, geen deel uitmaakt van het procesdossier in eerste aanleg en niet in het procesdebat is betrokken, maar dat zij beschouwt in de hoger beroepsprocedure als herhaald en ingelast. Dat verweerschrift richt zich echter niet tegen de bestreden beschikking en met de man leest het hof daarin dan ook geen grieven. Het hof acht het in het onderhavig geval onvoldoende dat de vrouw verwijst naar een verweerschrift dat in eerste aanleg buiten beschouwing is gebleven. Ook de man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep gesteld dat de grief van de vrouw onduidelijk is geformuleerd, dat onduidelijk is wat de grondslag is van haar verzoek en dat het voor hem niet duidelijk is waartegen hij zich heeft te verdedigen. Nu de vrouw voorts ook ter zitting geen uitzonderlijke omstandigheden heeft gesteld, dient zij in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8.
Het hof merkt daarbij nog het volgende op. De vrouw heeft desgevraagd ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in haar levensonderhoud van € 1.820,- per maand, zoals blijkt uit het door beide partijen op 1 juni 2012 ondertekende en aan de beschikking van 17 juli 2012 gehechte convenant, geldt voor de periode tot 1 januari 2013. Voor de periode na die datum is volgens de vrouw geen alimentatie vastgesteld.
9.
Gelet op de uitleg die de vrouw geeft aan het convenant van 1 juni 2012, had het op de weg van de vrouw gelegen om aan de rechtbank vaststelling van de partneralimentatie te verzoeken met ingang van 1 januari 2013. Dat verzuim kan in hoger beroep niet hersteld worden.

Proceskostenveroordeling

10.
Het hof overweegt als volgt. In familiezaken, daaronder begrepen zaken tussen ex-partners, wordt in het algemeen besloten tot compensatie van de proceskosten, hetgeen inhoudt dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen. De redelijkheid en billijkheid brengen met zich mee dat niet te snel tot een kostenveroordeling van een der partijen wordt overgegaan. Ook in familierechtelijke zaken kunnen zich echter gevallen voordoen waarbij het juist in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren. Wil sprake zijn van een dergelijke situatie, dan dient zeer duidelijk sprake te zijn van het nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij. Het hof is van oordeel dat daarvan, gelet op (de wijze van) het door de vrouw ingestelde hoger beroep, sprake is. Het hof zal dan ook, overeenkomstig het verzoek van de man, tot een veroordeling in de proceskosten van de vrouw overgaan. Het hof acht het door de man verzochte bedrag van in totaal € 3.906,31 alleszins redelijk.
11.
Mitsdien wordt als volgt beslist.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de man tot deze uitspraak vast te stellen op € 3.906,31, gespecificeerd als volgt:
- € 3.607,31 advocaatkosten;
- € 299,- griffierrecht;
en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van Kempen en Stollenwerck, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2014.