ECLI:NL:GHDHA:2014:1800
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Mink
- Van Kempen
- Punselie
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgangsregeling en dwangsombepaling bij niet-nakoming
In deze zaak gaat het om een hoger beroep in een kort geding over een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige zoon van partijen. De voorzieningenrechter had een regeling vastgesteld waarbij de man om de twee weken het weekend omgang heeft met het kind, met specifieke afspraken over ophalen en terugbrengen. Tevens was een dwangsom van €500,- per overtreding met een maximum van €10.000,- opgelegd aan de vrouw bij niet-nakoming.
De vrouw vorderde vernietiging van dit vonnis, met name het schrappen of matigen van de dwangsommen, en stelde dat de regeling onvoldoende was uitgewerkt en geen stimulans bood tot nakoming. Het hof oordeelde dat in kort geding geen herbeoordeling van de omgangsregeling plaatsvindt en dat partijen ter zitting overeenstemming hadden bereikt over de regeling. De vrouw was het achteraf niet eens met de regeling, maar dit rechtvaardigde het opleggen van een dwangsom om nakoming te stimuleren.
De man had zijn eis gewijzigd en wilde ook dat de dwangsom zou gelden voor een later gegeven eindbeschikking van de rechtbank. Het hof oordeelde dat deze eiswijziging toelaatbaar en tijdig was en wees de vordering toe. De hoogte en het maximum van de dwangsom werden door het hof als passend beoordeeld. De vrouw werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, terwijl de proceskosten in eerste aanleg werden gecompenseerd. Het arrest bevestigt het bestreden vonnis en legt een dwangsom op bij niet-nakoming van de omgangsregeling zoals vastgesteld in de eindbeschikking van 19 augustus 2013.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en legt een dwangsom van €500,- per overtreding met een maximum van €10.000,- op bij niet-nakoming van de omgangsregeling.