ECLI:NL:GHDHA:2014:1889
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen dwangbevel invordering ouderbijdrage Wet op de jeugdzorg
De moeder kwam in hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin haar verzet tegen een dwangbevel van het LBIO tot invordering van een ouderbijdrage op grond van de Wet op de jeugdzorg werd afgewezen. Het dwangbevel betrof een bedrag van € 2.272,15 over de periode van april 2006 tot februari 2009, verband houdend met de uithuisplaatsing van haar dochter.
De moeder voerde twee grieven aan: ten eerste dat haar dochter in de relevante periode werkzaamheden verrichtte met een inkomen boven de drempel van € 226,89 per maand, en ten tweede dat de ouderbijdrage gedeeltelijk bij de vader had moeten worden ingevorderd omdat zij de beschikking van 26 augustus 2005 niet zou hebben ontvangen. Het hof overwoog dat het verzet tegen een dwangbevel slechts op zeer beperkte gronden mogelijk is en dat de moeder de stelplicht en bewijslast droeg voor haar beweringen.
Uit de door de moeder overgelegde stukken bleek niet dat de dochter structureel een hoger inkomen dan de drempel had genoten. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de beschikking niet was ontvangen, temeer daar het LBIO aannemelijk had gemaakt dat de beschikking naar het juiste adres was verzonden en de moeder dit onvoldoende had betwist.
Het hof concludeerde dat beide grieven faalden, bekrachtigde het bestreden vonnis, veroordeelde de moeder in de proceskosten en wees het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzet van de moeder tegen het dwangbevel ongegrond verklaart en veroordeelt haar in de proceskosten.