Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
3.Beslissing
de rol van 1 juli 2014voor
memorie van antwoordaan de zijde van de man.
Gerechtshof Den Haag
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 11 februari 2014 inzake een omgangsregeling met haar minderjarige kind. Zij verzocht tevens om schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis.
De vrouw stelde dat het vonnis berustte op juridische en feitelijke misslagen, waardoor de veiligheid en ontwikkeling van het kind in gevaar zouden komen. De man voerde verweer en stelde dat de voorzieningenrechter zorgvuldig de belangen van het kind had afgewogen.
Het hof overwoog dat de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in beginsel kan plaatsvinden, ook als hoger beroep is ingesteld. Schorsing kan alleen worden toegewezen indien sprake is van een duidelijke juridische of feitelijke misslag of nieuwe feiten die daartoe aanleiding geven.
Het hof stelde vast dat de vrouw niet concreet had onderbouwd welke juridische misslagen aanwezig zouden zijn en dat haar bezwaren vooral neerkwamen op een meningsverschil over de feitelijke beoordeling door de voorzieningenrechter. Het belang van de man bij omgang met het kind woog zwaarder dan het belang van de vrouw bij schorsing.
Daarom wees het hof het verzoek tot schorsing af en bepaalde dat ieder zijn eigen proceskosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis af en bepaalt dat ieder partij zijn eigen proceskosten draagt.