ECLI:NL:GHDHA:2014:2031

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2014
Publicatiedatum
18 juni 2014
Zaaknummer
200.086.301-01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Husson
  • J. Labohm
  • J. Stollenwerck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof stelt begeleide omgangsregeling vast tussen vader en minderjarige na jarenlange procedure

Deze zaak betreft een langdurige procedure over de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind. Het hof heeft eerdere beschikkingen van 2 november 2011 en 19 juni 2013 herhaald en aangevuld met een recent rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.

De Raad adviseerde een kort traject van begeleide omgang in een omgangshuis, gevolgd door wekelijkse contactmomenten onder begeleiding van een vertrouwde derde. Beide ouders wensten begeleiding, maar niet via het omgangshuis; zij stemden in met begeleiding door Stichting Pameijer.

Het hof oordeelde dat de frequentie van wekelijkse omgang te belastend is en stelde een regeling vast van eenmaal per twee weken op woensdagmiddag, begeleid door een medewerker van Stichting Pameijer, bij de vader thuis. Na een jaar zal de begeleiding komen te vervallen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het hof wees andere verzoeken af. Hiermee wordt beoogd het belang van de minderjarige te dienen door geleidelijke en veilige omgang met de vader mogelijk te maken.

Uitkomst: Het hof stelt een begeleide omgangsregeling vast waarbij de minderjarige eenmaal per twee weken onder begeleiding bij de vader verblijft, met beëindiging van begeleiding na een jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 18 juni 2014
Zaaknummer : 200.086.301/01
Rekestnummer rechtbank : F1 RK 10-1813
Zaaknummer rechtbank : 359231
[de man],
wonende te [plaats],
verzoeker, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M. Veken te Rotterdam,
tegen
[de vrouw],
wonende te[plaats],
verweerster, tevens incidenteel verzoeksters in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E. van Veenendaal te Rozenburg, gemeente Rotterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,
hierna te noemen: de raad.

VERDER PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn beschikkingen van 2 november 2011 en 19 juni 2013, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Bij beschikking van 2 november 2011 is – kort samengevat en voor zover thans nog van belang – de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of in het belang van de minderjarige een (begeleide) zorgregeling dient te worden bepaald en zo ja welke, en daaromtrent rapport en advies uit te brengen. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden op dit punt.
Bij beschikking van 19 juni 2013 is de raad verzocht – in aanvulling op het op 2 april 2012 uitgebrachte raadsrapport – een onderzoek in te stellen naar de mogelijke oorzaken van de weerstand van de minderjarige tegen contact met de man en daaromtrent rapport en advies uit te brengen. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden.
Na de beschikking van 19 juni 2013 is bij het hof op 12 februari 2014 het (aanvullend) rapport van de raad van 11 februari 2014 ingekomen.
De raad heeft bij brief van 5 maart 2014 aan het hof laten weten ter zitting te zullen verschijnen.
Op 17 april 2014 is de mondelinge behandeling van de zaak voortgezet.
Ter zitting waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- mevrouw J.F. Timmermans namens de raad.

VERDERE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.
Het hof handhaaft al hetgeen in zijn beschikkingen van 2 november 2011 en 19 juni 2013 is overwogen en beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor de zorgregeling met betrekking tot de minderjarige [naam], geboren op[datum] 2008 te [plaats], verder: de minderjarige.
2.
De raad schrijft in zijn (aanvullend) rapport van 11 februari 2014 dat er allereerst een kort traject van begeleide omgang bij het [naam] Omgangshuis dient te komen en dat daarna wekelijks contact dient plaats te vinden tussen de man en de minderjarige op woensdagmiddag van 13.30 uur tot 16.00 uur op neutraal terrein onder begeleiding van een vertrouwde derde. Zowel moeders vriendin als moeders zus zijn bereid hierin een rol te spelen. Voorts adviseert de raad aan de ouders de hulp van een mediator (Flexus Jeugdplein) in te roepen teneinde hun communicatie over de minderjarige te verbeteren. De raad acht het verder gewenst dat de hulp die de moeder thans krijgt van de PIT medewerkster wordt gecontinueerd en dat de moeder vanuit de Ambulante Pedagogische Gezinsbegeleiding begeleid wordt in de opvoeding van de minderjarige.
3.
Namens de man is ter zitting naar voren gebracht dat hij het liefste ziet dat een weekendregeling wordt vastgesteld. De man wenst niet terug te gaan naar het omgangshuis. Mocht het hof toch beslissen dat partijen naar het omgangshuis dienen te gaan, dan moet daarbij worden bepaald dat beide ouders verplicht zijn om gebruik te maken van de nazorg die door het omgangshuis wordt geboden, aldus de man. Voorts staat de man open voor een mediationtraject via Flexus Jeugdplein.
4.
Namens de vrouw is ter zitting verklaard dat zij achter het advies van de raad staat, maar met uitzondering van het advies aan de ouders voor korte tijd weer terug te gaan naar het omgangshuis. De vrouw acht het wel wenselijk dat, gezien het feit dat de man de minderjarige al lange tijd niet meer heeft gezien, de omgangscontacten eerst onder begeleiding plaatsvinden. Tot slot heeft de vrouw laten weten dat het thans goed gaat met de minderjarige.
5.
Het hof overweegt als volgt. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling hebben de man en de vrouw met elkaar afgesproken dat de omgangscontacten tussen de man en de minderjarige weer zullen worden hervat met ingang van 30 april 2014, dat een opbouw zal plaatsvinden in die contacten en dat daarna met de Stichting Pameijer in onderling overleg zal worden bezien hoe verder invulling zal worden gegeven aan de omgangscontacten tussen de man en de minderjarige. Een definitieve regeling zijn partijen derhalve nog niet met elkaar overeengekomen. Hoewel het hof het positief acht dat de ouders afspraken hebben gemaakt over het herstel van de omgangscontacten, ziet het hof – zoals ook ter zitting met partijen is besproken – evenwel geen aanleiding om de zaak nogmaals aan te houden in afwachting van het verloop van die (proef)omgangscontacten (zoals door partijen ter zitting is verzocht). Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een definitieve beslissing te kunnen geven over de invulling van de omgangscontacten tussen de man en de minderjarige en oordeelt daarover als volgt.
6.
Evenals de raad is het hof van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat er omgangscontacten zijn tussen de minderjarige en de man. Nu gebleken is dat de minderjarige de man al meer dan een jaar niet heeft gezien en de minderjarige daarnaast nog altijd angstig gedrag vertoont (waarvan de oorzaak echter onduidelijk is), is begeleiding bij deze omgangscontacten naar het oordeel van het hof in het begin noodzakelijk. Ter zitting is gebleken dat beide ouders deze begeleiding wensen, maar niet door het [naam] Omgangshuis. Beide ouders hebben – zoals ook door de raad ter zitting is voorgesteld – ingestemd met de begeleiding door Stichting Pameijer bij de omgangscontacten, meer in het bijzonder door de begeleider van de man zelf. Het hof zal dit dan ook vastleggen. Het hof is van oordeel dat de door de raad voorgestelde frequentie van de omgangscontacten, te weten elke woensdagmiddag van 13.30 uur tot 16.00 uur, te intensief en te belastend is voor de zowel de minderjarige als de ouders en de begeleider. Het hof zal derhalve bepalen dat de omgangscontacten op de woensdagmiddagen eenmaal in de twee weken zullen plaats vinden. Het hof acht het, nu een medewerker van de Stichting Pameijer de omgangscontacten zal begeleiden en daarmee een gevoel van veiligheid aan de minderjarige en de vrouw geeft, het niet strijdig met de belangen van de minderjarige als de omgangscontacten direct bij de man thuis plaatsvinden (en dus niet op neutraal terrein). Het hof gaat daarbij ervan uit, dat na een jaar het gevoel van veiligheid bij zowel de minderjarige als de vrouw zodanig zal zijn opgebouwd dat dan geen begeleiding meer hoeft plaats te vinden bij de omgangscontacten tussen de man en de minderjarige. Het hof zal ook dat in het dictum vastleggen.
7.
Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
stelt – in aanvulling op de bestreden beschikking – de volgende zorgregeling vast tussen de man en de minderjarige:
- de minderjarige zal bij de man zijn eenmaal per twee weken op woensdagmiddag van 13.30 uur tot 16.00 uur onder begeleiding van de begeleider van de man (werkzaam bij de Stichting Pameijer);
- na een jaar zal dezelfde regeling blijven gelden, doch zonder enige vorm van begeleiding daarbij;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Labohm en Stollenwerck, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2014.