ECLI:NL:GHDHA:2014:2353
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging niet-ontvankelijkverklaring verzet tegen verstekvonnis ondanks betwisting bekendheid
In deze civiele zaak stond centraal of het verzet van appellante tegen een verstekvonnis tijdig was ingediend. Lindorff had betaling gevorderd op basis van een verstekvonnis uit 1999. Appellante kwam in verzet op 19 november 2012, maar werd door de kantonrechter niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzet na de wettelijke termijn was ingediend.
Appellante voerde aan dat zij onvoldoende bekend was met de inhoud van het verstekvonnis en daardoor niet tijdig verzet kon instellen. Het hof oordeelde echter dat de termijn van artikel 81 lid 1 Rv Pro (oud) was gaan lopen op het moment dat appellante zich op 31 oktober 2012 tot het Juridisch Loket wendde met betrekking tot de brief van de deurwaarder, waarmee zij bekend was met het vonnis en de gevorderde betaling.
Het hof stelde vast dat het ontbreken van de motieven in het verstekvonnis appellante niet verhinderde tijdig verzet in te stellen. Ook oordeelde het hof dat de toepassing van de verzetstermijn niet in strijd was met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro, omdat het recht op toegang tot de rechter voldoende was gewaarborgd.
Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep, die uitvoerbaar bij voorraad werden verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het verzet te laat is ingediend en veroordeelt appellante in de kosten.