Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
14 januari 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak stond de verlenging van de ondertoezichtstelling van drie minderjarigen centraal. De vader was in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die de ondertoezichtstelling met behoud van Jeugdzorg verlengde tot januari 2015. Hij betoogde dat de gronden voor ondertoezichtstelling ontbraken, ontkende de risicofactoren en stelde dat de situatie verbeterd was.
Namens Jeugdzorg werd aangevoerd dat de sociaal-emotionele problemen van de minderjarigen niet waren opgelost en dat de vader de geboden hulpverlening ondermijnde en onderzoek belemmerde. Het hof toetste of de wettelijke voorwaarden voor ondertoezichtstelling waren vervuld, namelijk dat de zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid van de minderjarigen ernstig worden bedreigd en dat andere middelen onvoldoende zijn.
Het hof vond geen nieuwe feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leidden dan de rechtbank. De ondertoezichtstelling werd gerechtvaardigd geacht als noodzakelijke bescherming van de belangen van de minderjarigen, waarbij de inbreuk op het gezinsleven volgens het hof gerechtvaardigd is. De bestreden beschikking werd dan ook bekrachtigd.
Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt bekrachtigd.