In deze zaak staat de hoofdverblijfplaats van een in 2011 geboren minderjarige centraal, na een echtscheiding tussen de ouders. De rechtbank had toestemming gegeven aan de vader om met de minderjarige naar Denemarken te verhuizen en de hoofdverblijfplaats daar te vestigen. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht de hoofdverblijfplaats in Nederland bij haar te bepalen, stellende dat de vader de afspraken niet nakomt en zij onvoldoende contact met de minderjarige heeft.
Het hof oordeelt dat de minderjarige sinds september 2013 bij de vader in Denemarken woont en zich daar goed ontwikkelt, met een stabiele leefomgeving en een netwerk van familie. Gezien de hechtingsperiode en het belang van continuïteit acht het hof het niet in het belang van de minderjarige om de verblijfplaats te wijzigen. De hoofdverblijfplaats wordt daarom bij de vader in Denemarken vastgesteld.
Het hof wijst wel een ruime zorgregeling toe ten gunste van de moeder, waarbij zij de minderjarige een week per maand in Denemarken mag ontvangen en de vader de reiskosten draagt. Daarnaast regelt het hof de verdeling van de gemeenschap van goederen: de woning in Denemarken wordt aan de vader toegedeeld, de inboedel eveneens aan de vader met een betaling van € 2.500,- aan de moeder, en overige boedelbestanddelen en schulden worden toegedeeld aan de respectievelijke rechthebbenden en schuldenaren.
De partneralimentatieverplichting van de vader aan de moeder wordt vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing van behoefte en draagkracht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de overige verzoeken zijn afgewezen.