Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
- te verklaren voor recht dat geïntimeerden onrechtmatig hebben gehandeld door appellante sub 2 te plaatsen, dan wel geplaatst te houden in een justitiële jeugdinrichting;
- te verklaren voor recht dat geïntimeerden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de huidige en toekomstige schade die door dat onrechtmatige handelen is ontstaan, met een maximum van € 25.000,-;
- geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de eerder genoemde schade zoals omschreven in paragraaf 37 tot en met 52, dan wel tot vergoeding van een in goede justitie te bepalen bedrag, zodanig dat de totale hoofdsom een bedrag van € 25.000,- niet te boven gaat;
- indien daartoe aanleiding mocht bestaan de zaak te verwijzen naar een schadestaatprocedure ter vaststelling van de schade, alsdan met veroordeling van geïntimeerden tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van
- geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het smartengeld vanaf de datum waarop dit verschuldigd is geworden, zodanig dat de totale hoofdsom een bedrag van € 25.000,- niet te boven gaat;
- geïntimeerden te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de overige schade vanaf de dag van deze dagvaarding, voor zover de wettelijke rente niet reeds verschuldigd is vanaf een eerdere datum waarop de schade opeisbaar is geworden, tot die der algehele voldoening, zodanig dat de totale hoofdsom een bedrag van
- geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand, primair € 4.652,90, subsidiair € 705,- en € 272,-;
- geïntimeerden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding, met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
- in de visie van appellanten waren er voor appellante sub 2 andere opnamemogelijkheden. De plaatsing van appellante sub 2 in [naam instelling] was niet “as close as possible” zoals bedoeld in General Comment 10 van het Kinderrechtencomité;
- geïntimeerde sub 2 heeft slechts gedeeltelijk uitvoering gegeven aan de beschikking van de kinderrechter;
- de ernst van de gedragsproblemen van appellante sub 2 hadden niet overschat mogen worden. Gelet op de relatief geringe ernst van de gedragsproblematiek valt niet in te zien waarom geïntimeerden niet als voorlopige oplossing hebben gekozen voor een half gesloten plaatsing;
- het is onbegrijpelijk dat de rechtbank de visitaties en fouilleringen van appellante
- er was geen vrijbrief om appellante sub 2 die niet verdacht was van enig strafbaar feit in een jeugdgevangenis op te sluiten;
- het feit dat appellante sub 2 gedurende haar verblijf in [naam instelling] in aanraking kwam met strafrechtelijk geplaatste minderjarigen maakt de plaatsing onrechtmatig in het licht van onder meer het IVRK;
- de beëindiging van de uithuisplaatsing van appellante sub 2 heeft onaanvaardbaar lang geduurd;
- het verblijf van appellante sub 2 in de jeugdgevangenis heeft geleid tot een studievertraging;
- het nodeloos vervoeren van appellante sub 2 in een arrestantenbus over ruim
- het doorzoeken van de woning van appellant sub 1 is disproportioneel;
- in punt 32 stellen appellanten de onvoldoende voortvarende communicatie aan de orde;
- in punt 33 stellen appellanten aan de orde het onbegeleid ontslag uit het logeerhuis van Jeugdformaat;
- als gevolg van de stelselwijziging moest voldoende aanbod in accommodaties voor gesloten jeugdzorg worden gecreëerd. Omdat de capaciteitsuitbreiding gefaseerd zou gaan plaatsvinden en pas op 1 januari 2010 zou zijn afgerond, is een overgangsregeling vastgesteld voor de periode van 1 januari 2008 tot 1 januari 2010. In deze periode konden jeugdigen op basis van een civielrechtelijke titel toch nog in een justitiële jeugdinrichting worden geplaatst;
- voor plaatsing in een behandelinrichting van de ingevolge artikel 1:261 BW Pro uithuisgeplaatste en onder toezicht gestelde jeugdige bevat de Bjj of de Wet op de jeugdzorg geen termijn;
- resultaat daarvan was dat de minister er tijdens de overgangsperiode in is geslaagd om de capaciteit van de gesloten jeugdzorg uit de breiden tot 1600 plaatsen, waardoor het uiteindelijk is gelukt alle jeugdigen die op civielrechtelijke titel in een JJI verbleven voor 1 januari 2010 over te plaatsen naar een instelling voor gesloten jeugdzorg;
- jeugdzorg heeft de nodige inspanningen gedaan om de behandeling van appellante sub 2 op korte termijn in een andere setting te realiseren;
- de machtiging van de kinderrechter tot uithuisplaatsing van appellante sub 2 in een gesloten inrichting vormde voor de staat de grondslag voor de plaatsing van appellante sub 2 in [naam instelling];
- voor onderzoek aan lichaam en kleding is in de huisregels van [naam instelling] – onder verwijzing naar de wettelijke basis daarvoor – een regeling opgenomen;
- de behandeling is in [naam instelling] opgestart. Er is een persoonlijkheidsonderzoek verricht, er is met appellante sub 2 gewerkt aan ontwikkelingstaken en zij is geholpen met het deel uitmaken van een dagelijkse structuur;
- op goede gronden heeft de rechtbank in rov. 4.17 overwogen dat samenplaatsing van appellante sub 2 met jeugdige delinquenten het gevolg was van de Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg en dat de samenplaatsing geen onrechtmatig handelen van de Staat jegens appellante sub 2 oplevert;
- nu de resterende duur van het verblijf van appellante na het moment waarop [naam instelling] had geadviseerd de plaatsing te beëindigen nog zeer kort was en een zorgvuldig beëindigingsbesluit pas na verloop van die periode genomen kon worden, heeft BJZ een juiste afweging gemaakt en besloten geen beëindigingsbesluit te nemen;
- de Staat acht het niet aannemelijk dat appellante door diverse onderwijsinstellingen zou zijn geweigerd op grond van het feit dat zij gedurende drie maanden in [naam instelling] heeft verbleven;
- de rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verblijf van appellante sub 2 in de arrestantenbus en het gedetineerdenverblijf niet aan de Staat is toe te rekenen nu gebleken is dat de rechtbank niet tijdig aan [naam instelling] had doorgegeven dat de zitting was verplaatst.
- appellanten hebben hun vorderingen gebaseerd op onrechtmatig handelen van geïntimeerden;
- geïntimeerde sub 2 is van mening dat het niet altijd even duidelijk is waar de bezwaren van appellanten zich tegen richten;
- alvorens tot een bespreking van de grieven over te gaan, merkt geïntimeerde sub 2 op dat zij het standpunt van appellanten, dat de verschillende gebeurtenissen tezamen als onrechtmatige daad moeten worden aangemerkt, niet deelt;
- een onrechtmatige daad is geen optelsom van vervelende incidenten. Elke gebeurtenis dient opnieuw aan artikel 6:162 BW Pro te worden getoetst;
- tevens is onjuist het betoog dat de plaatsing van een minderjarige op basis van een civielrechtelijke machtiging in een justitiële inrichting onder alle omstandigheden onaanvaardbaar en onrechtmatig is;
- vanwege het spoedeisende karakter maar ook door het capaciteitsgebrek binnen gesloten accommodaties, is appellante sub 2 uiteindelijk geplaatst in [naam instelling];
- [naam instelling] voert een pedagogisch dag- en begeleidingsprogramma uit. Met appellante sub 2 is dus gewerkt aan ontwikkelingstaken en zij is geholpen met het deel uitmaken van een dagelijkse structuur;
- het laten verrichten van een persoonlijkheidsonderzoek, het voeren van gesprekken over te behalen behandeldoelen en het opstellen van een verblijfsplan kost tijd en heeft enkele weken in beslag genomen;
- uit het enkele feit dat de minderjarige na 3 maanden [naam instelling] kon verlaten, kan niet de conclusie worden verbonden dat haar problemen allemaal wel meevielen;
- begin augustus 2008 heeft [naam instelling] laten weten dat appellante sub 2 zich goed ontwikkelde en dat ingeschat werd dat zij een behandeling in een open setting wel aan zou kunnen;
- de machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is verleend tot 3 september 2008. De kinderrechter heeft in de machtiging niet bepaald dat de uithuisplaatsing op een eerder tijdstip afgebroken kon worden.