Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
2.Beoordeling van het hoger beroep
- geïntimeerden, in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hen die vorderingen te ontzeggen, alles met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, een bedrag aan salaris voor de advocaat van appellante daaronder begrepen;
- de geïntimeerde sub 1, te veroordelen om aan appellante terug te betalen het bedrag van € 51.959,34 ter zake voormeld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der betaling, te weten 7 mei 2013, althans vanaf de dag van het nemen van deze memorie, tot aan die der algehele voldoening;
- de geïntimeerde sub 1, voornoemd, te veroordelen om aan appellante terug te betalen ter zake van de betaalde rente over de periode 13 augustus 2011 tot 1 mei 2013, te weten een bedrag groot € 3.175,77;
- de geïntimeerde sub 2 voornoemd, te veroordelen om aan appellante terug te betalen een bedrag van € 50.959,34 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
- de geïntimeerde sub 2 voornoemd, te veroordelen om aan appellante terug te betalen ter zake van de betaalde rente over de periode 13 augustus 2011 tot 1 mei 2013, te weten een bedrag groot € 3.114,65;
- de geïntimeerden als voormeld beiden te veroordelen om aan appellante terug te betalen de door deze aan hen betaalde proceskosten ad € 4.336,32 als vermeld in r.o. 5.6 van laatstgenoemd vonnis van 17 april 2013 en zoals is medegedeeld in blad 3 van deze memorie, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 mei 2013, als gemeld, althans vanaf het nemen van deze memorie tot aan die der voldoening;
- alles met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties, een bedrag aan salaris voor de advocaat van appellante daaronder begrepen.
- noch uit de wet noch uit de jurisprudentie blijkt dat bij de uitleg van het testament alleen dient te worden uitgegaan van de bewoordingen van het testament;
- appellante stelt zich in deze memorie op het standpunt dat het onderhavige testament niet de wil van erflater bevat en derhalve zinloos is;
- naar de mening van appellante dient het testament te worden uitgelegd naar de bedoeling van de erflater. Dat wil zeggen dat de vorderingen van de legitimarissen eerst opeisbaar zijn bij het overlijden van appellante;
- de wil van erflater blijkt uit de door appellante geschetste omstandigheden voor en tijdens het opmaken en verlijden van het testament van erflater en uit het verband met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen;
- voorts blijkt deze wil uit de aantekeningen van de notarieel medewerker [naam];
- bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient dus te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wil regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt;
- erflater was in tweede echt gehuwd met appellante, terwijl zijn kinderen uit zijn eerste huwelijk waren geboren;
- erflater had een slechte verhouding met die kinderen;
- erflater wilde zijn kinderen als zijn erfgenamen uitsluiten en ook hun kinderen;
- erflater wilde een langstlevende testament en wilde appellante verzorgd achterlaten;
- tot de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenste te regelen, behoort in ieder geval het vaststaande feit dat erflater appellante zo verzorgd mogelijk wilde achterlaten en de kinderen bij haar ten achter heeft willen stellen;
- dit betekent dat het onderhavige testament, gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wil regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is opgemaakt, geen redelijk zin heeft;
- dit betekent naar de mening van appellante dat het testament via uitleg moet worden aangepast in die zin dat de bepalingen van artikel 4:82 BW Pro erin gelezen moeten worden.
- door appellante is ten onrechte gesteld dat de uitleg van de rechtbank van het bepaalde in artikel 4:46 BW Pro in strijd is met het bepaalde in de wet en met gangbare jurisprudentie en met de literatuur en dat deze beoordeling niet naar de eis der wet met voldoende redenen is gemotiveerd;
- door de rechtbank is terecht geoordeeld dat de uitlegregels van artikel 4:46 BW Pro niet zijn bedoeld om postuum een vergissing te herstellen;
- in de conclusie van antwoord sub 44 wordt gesteld dat erflater een leek was en niet op de hoogte was van het nieuwe erfrecht. Ook tijdens de op 13 september gehouden comparitie van partijen van partijen is door appellante verklaard: “Er is geen opdracht verstrekt aan [naam] om artikel 4:82 BW Pro op te nemen. Mijn man was een leek op dat gebied.”;
- opneming van het bepaalde in artikel 4:82 BW Pro kan hij derhalve niet hebben gewild, daar hij deze bepaling niet kende;
- het testament is duidelijk, zodat de door appellante gewenste aanvulling, dat de legitieme portie tijdens het leven niet opeisbaar is, niet aan de orde is geweest. Uit geen van de dossierstukken blijkt immers dat de erflater deze aanvulling heeft gewenst, behoudens wellicht uit de subjectieve verklaringen van appellante, die echter niet tot bewijs kunnen dienen.
- dat volstrekt duidelijk moet zijn dat deze erflater deze uiterste wil heeft gemaakt;
- dat hij de inhoud ook daadwerkelijk gewild heeft;
- dat de instrumenterende notaris kan zorgen voor een formulering die zo duidelijk mogelijk deze laatste wil onder woorden brengt, nadat aan de testateur de nodige voorlichting is gegeven.
3.Beslissing
- vastrecht € 683,-
- kosten advocaat € 1.631,-.