Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
13 juni 2012 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen.
2.Beoordeling van het hoger beroep
- het vonnis waarvan beroep als gewezen door de rechtbank te Den Haag op 11 januari 2012 voor zover deze ziet op de veroordeling van [de bewindvoerder] tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij aan [de man] en [de vrouw] de door hem gestelde contante betalingen heeft gedaan;
- het vonnis waarvan beroep als gewezen door de rechtbank Den Haag op 13 juni 2012 voor zover deze ziet op de veroordeling van [de bewindvoerder] om aan [de man] en [de vrouw] te betalen een som van € 22.185,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover, berekend over het tijdvak van de dag van de dagvaarding (30 mei 2011) tot de dag van de betaling en voor zover deze ziet op veroordeling van [de bewindvoerder] in de proceskosten;
- de vordering van [de man] en/of [de vrouw], thans geïntimeerden, tot veroordeling van [de bewindvoerder] tot betaling van € 22.854,76 vermeerderd met rente, en tot veroordeling van [de bewindvoerder] in de proceskosten af te wijzen;
- [de man] en/of [de vrouw] te veroordelen om al hetgeen [de bewindvoerder] ter uitvoering van het betreden vonnis aan [de man] en/of [de vrouw] heeft voldaan aan [de bewindvoerder] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente van de dag van betaling tot de dag van terugbetaling; en
- [de man] en/of [de vrouw] te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belopen van € 131,- zonder betekening en € 199,- met betekening, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
“dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de bewijsopdracht ter beantwoording van de vraag of de (vaststaande) contante opnamen van de bankrekening van erflaatster tijdens de periode van de bewindvoering zijn aangewend ter betaling aan geïntimeerden, aan de zijde van [de bewindvoerder] lag.”.
- [getuige een];
- [echtenote bewindvoerder]
- [de vrouw]
- [de man]
“Zelf ben ik in ieder geval één keer aanwezig geweest toen dhr. [de bewindvoerder] [de man] een envelop overhandigde. Dat was tijdens een van de bovengenoemde wekelijkse bezoeken die dhr. [de bewindvoerder] aan de familie [de man] bracht. Natuurlijk kon ik niet zien wát er in de envelop zat, maar het leek mij duidelijk dat het om het genoemde bedrag van 200 euro ging, omdat zowel dhr. [de bewindvoerder] als [de man] en [de vrouw] mij ervan verzekerd hadden dat dhr. [de bewindvoerder] zich aan de afspraak hield om dit bedrag wekelijks te verstrekken.”.
“...uit een gesprek met[naam] destijds is mij bijgebleven dat [naam] mij op enig moment vertelde dat ook zij geld aan [de man] en [de vrouw] gaf”. Hetgeen appellant in punt 77 stelt wat deze getuige kan verklaren met betrekking tot de bewijsopdracht acht het hof niet relevant. Ook deze getuige kan niet uit eigen wetenschap verklaren dat hij heeft gezien dat appellant het geld contant aan geïntimeerden overhandigde.
“Los van de onmogelijkheid voor partijen om te klagen over het niet- uitoefenen van de bevoegdheid van artikel 22 Rv Pro, is het niet duidelijk wat [de bewindvoerder] met rekeningafschriften van erfgenamen kan en wil aantonen.”.