Uitspraak
- tegen een bevel tot gevangenhouding
- tegen een bevel tot gevangenneming
- en tegen de afwijzing van een verzoek tot opheffing van het bevel tot gevangenhouding of gevangenneming
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 11 september 2014 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep dat door het Openbaar Ministerie was ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank Rotterdam. De rechtbank had tijdens de terechtzitting het verzoek van de verdachte tot schorsing van de voorlopige hechtenis toegewezen. Het hof oordeelde dat deze beslissing een uitspraak in de zin van artikel 138 Wetboek Pro van Strafvordering is, omdat deze ter terechtzitting is gegeven en niet als beschikking kan worden aangemerkt.
Het hof verwees naar artikel 406 Wetboek Pro van Strafvordering, waarin de mogelijkheden voor tussentijds hoger beroep tegen tussenuitspraak zijn limitatief opgesomd. Beslissingen over schorsing van voorlopige hechtenis worden hierin niet genoemd en vallen daarom niet onder de uitzonderingen die tussentijds hoger beroep toestaan. Ook artikel 87 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering, dat beroepsmogelijkheden tegen beschikkingen tot schorsing regelt, is niet van toepassing op een uitspraak van de rechtbank ter terechtzitting.
Op grond van deze overwegingen verklaarde het hof het hoger beroep van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. Daarmee blijft de beslissing van de rechtbank tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte in stand. De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Duindam, van Walderveen en de Wild, en griffier Looye - van Tol.
Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de schorsing van de voorlopige hechtenis.