Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 25 november 2014
Andes B.V., mede handelend onder de naam Falkplan-Andes,
De Staat der Nederlanden (ministerie van Infrastructuur en Milieu),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“in beginsel geen rechten (kunnen) ontlenen” omdat die opmerking het daarvóór weergegeven karakter van de Aanwijzingen miskent. De Staat moet zich derhalve houden aan de Aanwijzingen ook wanneer het ter beschikking stellen van de NWB geen marktactiviteit is.
“het ter beschikking stellen aan provincies, gemeenten en waterschappen van nationale gegevens(-bestanden) voor beheer of onderhoud van infrastructuur of verkeersbeheersing daarop.”In de toelichting op dit besluit is onder meer het volgende opgenomen:
“Terbeschikkingstellen van nationale gegevens(-bestanden) voor het beheer of onderhoud van infrastructuur en het beheersen van verkeer daarop: dit vindt plaats aan provincies, gemeenten en waterschappen om hun verantwoordelijkheid als wegebeheerder te ondersteunen. Indien deze activiteit gestaakt zou worden, ontberen deze wegbeheerders belangrijke data voor een adequate invulling van hun verantwoordelijkheid. De hiervoor te leveren tegenprestatie bestaat uit het leveren van door betrokkenen vergaarde gegevens die onder andere van belang zijn voor de beheerstaken van Rijkswaterstaat, danwel uit betaling van verstrekkingskosten. De door Rijkswaterstaat in verband met de uitoefening van de publieke taak vergaarde gegevens alsmede de als tegenprestatie ontvangen gegevens, worden ter beschikking gesteld.”
“door betrokkene vergaarde gegevens die onder andere van belang zijn voor de beheerstaken van Rijkswaterstaat, danwel uit betaling van verstrekkingskosten”. Voor zover in de stellingen van Andes ligt besloten dat er door lagere overheden géén tegenprestatie als bedoeld in de toelichting op artikel 2, lid 2 van het Besluit 2001 wordt geleverd, heeft zij die stelling niet van een voldoende concrete onderbouwing voorzien, zodat die wordt gepasseerd. Haar betwisting achter 6.3.2 van de memorie van grieven volstaat in dit verband niet aangezien het niet op de weg van Andes ligt de stellingen van de Staat te betwisten, maar eigen stellingen in te nemen en te onderbouwen. Die onderbouwing kan, zonder nadere specificatie, evenmin worden gevonden in paragraaf 2.6 van de Handleiding Nationaal Wegenbestand 2008 waarnaar Andes in meer algemene zin verwijst, omdat in die paragraaf, waar verwezen wordt naar het daadwerkelijk gebruik van het NWB, toepassingen binnen de Rijksoverheid worden genoemd. Dat de in die paragraaf genoemde mogelijke andere toepassingen van het NWB daadwerkelijk zijn toegepast, heeft Andes niet van een voldoende onderbouwing voorzien, zodat niet relevant is of het NWB is opgezet als een “breed toepasbaar product” (par. 5.8 memorie van grieven).
gedigitaliseerdegegevens om van een tegenprestatie te kunnen spreken. Haar stelling dat het NWB (vóór 2011) werd gebruikt voor andere doeleinden dan het wegbeheer heeft Andes ook niet in die zin geconcretiseerd dat duidelijk is door welke lagere overheden een ander gebruik van het NWB wordt gemaakt dan voor het wegbeheer. De door Andes in dit verband achter 6.3.2 van de memorie van grieven weergegeven passage uit de Handleiding Nationaal Wegenbestand 2008 spreekt over het
“verwerken en vergelijken van verkeer- en vervoersgegevens”en
“taken op het gebied van verkeer en vervoer”, welke taken moeilijk los kunnen worden gezien van die van een wegbeheerder. De uitleg die Andes achter 6.2.4 van haar memorie van grieven geeft aan het Besluit 2001, vindt geen steun in de tekst van dat Besluit of de toelichting. De stelling van Andes dat het de Staat slechts vrij zou staan een systeem te ontwikkelen en aan lagere overheden ter beschikking te stellen wanneer er sprake zou zijn van marktfalen, miskent het hierboven achter 15 weergeven kader en moet dus worden gepasseerd.
“begrip `economische activiteiten’ in de zin van de mededingingsregels”brengt dat feit niet noodzakelijkerwijs mee dat het ook daadwerkelijk gaat om activiteiten van ondernemingen zoals bedoeld in de Mededingingswet en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Lagere en zeker primair intern bedoelde regelgeving kan de werking van dit wettelijke / verdragsrechtelijke begrip immers niet beïnvloeden.
“irrelevant is om uit te maken of een weigering van toestemming tot hergebruik van gegevens in de context van het onderhavige hoofdgeding, al dan niet een economisch karakter heeft”, maar anders dan in die zaak gaat het hier niet om een weigering openbaar te maken, maar juist om verstrekking van gegevens op basis van nationale regelgeving die zijn grondslag (mede) vindt in de Richtlijn hergebruik.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 augustus 2013;
- veroordeelt Andes in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 683,- aan verschotten en (3 punten x tarief II=) €2.682,- aan salaris advocaat;