De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voor het stelen van een lokfiets van Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit. In hoger beroep betoogde de verdediging primair dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege onrechtmatige opsporing door inzet van een lokfiets, en subsidiair dat het bewijs van de fiets moest worden uitgesloten.
Het hof oordeelde dat de inzet van de lokfiets niet leidde tot onrechtmatige opsporing, omdat de verdachte niet tot andere handelingen werd gebracht dan waarop zijn opzet reeds was gericht. Ook het feit dat de fiets op een bepaalde plek was geplaatst deed hier niet aan af. Daarnaast stelde het hof vast dat de verdachte de fiets met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had weggenomen, door ermee te fietsen, op slot te zetten en als heer en meester over het goed te beschikken.
De bewezenverklaring werd beperkt tot de diefstal van de lokfiets, waarbij overige tenlasteleggingen niet bewezen werden verklaard. Het hof bevestigde de strafbaarheid van de verdachte en wees op zijn eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De opgelegde straf van twee weken gevangenisstraf werd passend geacht. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 21 dagen, omdat de verdachte tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit had gepleegd.
Het arrest vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht, waarbij de verdachte werd veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf werd bevolen.