ECLI:NL:GHDHA:2014:3842

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2014
Publicatiedatum
28 november 2014
Zaaknummer
22-003292-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte mensensmokkel via schijnhuwelijk wegens ontbreken winstbejag

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf wegens mensensmokkel door het aangaan van een schijnhuwelijk met een vrouw uit Nigeria om haar verblijf in het Verenigd Koninkrijk te faciliteren.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd. Het hof oordeelde dat niet buiten redelijke twijfel kon worden vastgesteld dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. De verklaring van de Koninklijke Marechaussee was volgens het hof voor meerdere uitleg vatbaar en er ontbrak aanvullend bewijs voor het bestanddeel winstbejag.

De verzoeken van de raadsman om getuigen te horen werden afgewezen omdat deze reeds gemotiveerd waren afgewezen en er geen nieuwe feiten werden aangevoerd. Het hof sprak de verdachte vrij omdat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend was bewezen.

Het arrest werd uitgesproken op 21 oktober 2014 door het gerechtshof Den Haag, waarbij het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2013 werd vernietigd en de verdachte werd vrijgesproken.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor winstbejag bij mensensmokkel.

Uitspraak

PROMIS
Rolnummer: 22-003292-13
Parketnummer: 10-963073-12
Datum uitspraak: 21 oktober 2014
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1981,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 7 oktober 2014 en 14 oktober 2014.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep, en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2010 tot en met 03 juni 2010 te Breda en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, en/of in het Verenigd Koninkrijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten een vrouw genaamd/zich noemende [betrokkene] (geboren op [geboortejaar] 1982 te Nigeria), (telkens) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in het Verenigd Koninkrijk, in elk geval in een lidstaat van de Europese Unie of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, hebbende/zijnde verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens)
- contact gelegd/gehad en/of onderhouden met voornoemde - onrechtmatig in het Verenigd Koninkrijk wonende/verblijvende - [betrokkene] en/of
- onder verstrekking van een adres in het Verenigd Koninkrijk (als zijnde verdachtes woonadres) in/voor het Verenigd Koninkrijk een National Insurance Number aangevraagd en (op 19 januari 2010) verkregen, terwijl verdachte in Nederland ingeschreven en/of woonachtig was, en/of
- met die [betrokkene] (op 27 februari 2010) in het Verenigd Koninkrijk een schijnhuwelijk aangegaan en/of
- een op basis van voormeld schijnhuwelijk door/namens [betrokkene] (op 03 juni 2010) ingediende aanvraag voor een EER-verblijfsvergunning ondersteund met verdachtes Nederlandse identiteitskaart en/of
- ( een) (retour)vlucht(en) naar het Verenigd Koninkrijk gemaakt in het kader van voornoemd schijnhuwelijk en/of van (een) (andere) in het Verenigd Koninkrijk te verrichten handeling(en) ten behoeve van het - voor die [betrokkene] - verschaffen van verblijf, welke door verdachte gemaakte (retour)vlucht(en) voor hem was/waren geboekt en/of betaald.
Onderzoekswensen
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2014 zijn verzoeken tot het horen van getuigen, zoals die bij grieven van 17 juli 2013 waren ingediend, herhaald
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt vast dat de raadsman deze verzoeken ook ter terechtzitting in hoger beroep van 7 oktober 2014 naar voren heeft gebracht. Het hof heeft deze verzoeken toen gemotiveerd afgewezen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2014 geen nieuwe feiten of omstandigheden aan deze verzoeken ten grondslag gelegd, zodat het hof deze verzoeken opnieuw afwijst overeenkomstig de motivering als weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 oktober 2014.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. Het hof acht hetgeen gerelateerd is als opmerking van verdachte in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2012 van de Koninklijke Marechaussee met nr. 1211140921.1440 (p. 179 en 180) daarvoor onvoldoende, nu het hof – met de raadsman van de verdachte – van oordeel is dat deze opmerking voor meerderlei uitleg vatbaar is en overig bewijs voor wat betreft het bestanddeel winstbejag ontbreekt. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Gelet op het bovenstaande behoeft het voorwaardelijk verzoek van de verdediging tot het horen van de verbalisant [verbalisant] geen bespreking meer.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en
spreektde verdachte daarvan
vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,
mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 oktober 2014.