De verdachte, eigenaar van een coffeeshop in Delft sinds 1989, werd vervolgd voor het opzettelijk aanwezig hebben van ruim tien kilo softdrugs in zijn woning, ruim boven de toegestane voorraad van 500 gram. De politie ontdekte de voorraad na een melding over een vermeende hennepkwekerij. De verdachte was op de hoogte van de regelgeving en wist dat hij de toegestane hoeveelheid overschreed.
In eerste aanleg werd de verdachte schuldig verklaard maar zonder strafoplegging. Het Openbaar Ministerie ging in hoger beroep, maar het hof verklaarde het bewezenverklaarde strafbaar en strafbaar, doch legde eveneens geen straf of maatregel op. Het hof oordeelde dat het feit onlosmakelijk verbonden is met de exploitatie van de coffeeshop, die onder het gedoogbeleid valt, waarbij een zekere voorraad noodzakelijk is vanwege de achterdeurproblematiek.
De verdediging voerde aan dat de grote voorraad onvermijdelijk was vanwege inkoop per halve of hele kilo en het aanbieden van verschillende soorten softdrugs. Het hof erkende dit, maar benadrukte dat dit de strafbaarheid niet uitsluit. Gezien de kleinschalige aard van de coffeeshop en het feit dat de verdachte zich aan de AHOJ-G criteria hield, vond het hof het passend geen straf op te leggen.
Daarnaast bepaalde het hof dat een deel van het inbeslaggenomen materiaal aan de verdachte wordt teruggegeven, terwijl een ander deel wordt onttrokken aan het verkeer. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht conform deze overwegingen.