Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaak- en rolnummer rechtbank : 392381 / HA ZA 11-1242
Arrest van 28 januari 2014
VERDEGRO B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- tijdens de branchebijeenkomst in februari 2010 bekend te maken dat het mrs-systeem van Verdegro bij werken op rijkswegen niet mag worden ingezet,
- andere of nadere eisen te stellen dan de vigerende,
- bij deze eisen te blijven in de brieven d.d. 27 april en 20 juli 2010,
- bij brief van 21 juli 2010 aan de betrokken afdelingen van Rijkswaterstaat mee te delen dat zij het systeem van Verdegro van de rijkswegen dienen te weren,
- daarmee het gebruik van het systeem van 21 augustus tot 14 september 2010 feitelijk te verbieden.
Verdegro stelt dat zij als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden in de vorm van gederfde winst, renteverliezen, reputatieschade, onnodig of nutteloos gemaakte kosten, verloren tijd en dergelijke, alles bijeen tot een bedrag van ruim 3,3 miljoen euro.
- dat zijn voormelde gedragingen niet publiek- maar privaatrechtelijk van aard waren en dat het hem vrijstond aan de aannemers voor te schrijven welke mrs-systemen door hen wel of niet bij werkzaamheden aan het rijkswegennet mogen worden ingezet,
- dat hij geen ontoelaatbare eisen heeft gesteld, in aanmerking genomen dat het mrs-systeem van Verdegro nieuw en niet eerder gevalideerd was,
- dat hij zich niet onrechtmatig jegens Verdegro heeft gedragen.
Voorts heeft Rijkswaterstaat de door Verdegro gestelde schade gemotiveerd betwist.
Hieruit volgt dat Rijkswaterstaat in hoge mate vrij was en is bij het stellen van die eisen en dat de civiele rechter als uitgangspunt moet nemen dat ingrijpen slechts geboden kan zijn indien Rijkswaterstaat disproportionele eisen zou stellen. Rijkswaterstaat is hierbij niet gebonden geweest aan regelgeving met een publiekrechtelijk karakter. Met de hierboven in rechtsoverweging 1.2 vermelde regelingen heeft Rijkswaterstaat het doen van aanbestedingen en het aangaan van aannemingscontracten willen vergemakkelijken.
Het hof is van oordeel dat Rijkswaterstaat in zijn brieven van 27 april en 20 juli 2010 geen onredelijke eisen heeft gesteld, te weten (onder meer):
- Verdegro moet aantonen dat de toegepaste signaalgevers voldoen aan de eisen voor vaste signaalgevers met betrekking tot herkenbaarheid en leesbaarheid, meer specifiek de optische eisen,
- dit aantonen moet geschieden door (onderzoek van) een bevoegde instantie door middel van optische metingen aan een volledig samengestelde signaalgever,
- er moet schriftelijke documentatie worden verschaft waaruit blijkt hoe en welke toetsingen zijn verricht door een keuringsinstelling, die al door Verdegro was ingeschakeld,
- Verdegro moet eenduidig aantonen:
> hoe is binnen de software gewaarborgd dat het wegvallen van een rood kruis gesignaleerd wordt door middel van een melding,
> de bewaking op aangestuurde en niet aangestuurde beeldpunten,
> de definitie van onherkenbaar beeld en het maximaal geaccepteerde aantal defecte beeldpunten,
> hoe is gewaarborgd dat binnen de gevalideerde software geen aanpassingen kunnen plaatsvinden,
> wat is de veiligheidsprocedure inzake het wegvallen van een rood kruis.
Rijkswaterstaat kon zich in die brieven voorts op het standpunt stellen dat het gebruik van het systeem van Verdegro voor mri-doeleinden een aparte toetsing behoefde.