Uitspraak
GERECHTSHOF Den Haag
Afdeling Civiel recht
1.Het geding
6 juli 2011 van de rechtbank Rotterdam gewezen tussen appellanten als gedaagden in conventie en eisers in reconventie en geïntimeerden als eisers in conventie en gedaagden in reconventie.
2.Beoordeling van het hoger beroep
- op 17 juni 1975 is erflater met ingang van 1 januari 1975 met [appellant twee] en [appellant een] een overeenkomst van maatschap aangegaan;
- erflater heeft het recht van gebruik en genot van de landbouwgronden ingebracht in de maatschap;
- in artikel 13 van Pro de overeenkomst van maatschap is vermeld dat de andere vennoten het recht hebben om de door erflater ingebrachte landbouwgronden te pachten indien erflater uit de maatschap treedt;
- in 1980 is [appellant een] uit de maatschap getreden;
- erflater en [appellant twee] hebben op dezelfde condities tot eind 1988 de maatschap voortgezet;
- [appellant twee] betaalde aan erflater pacht (zie punt 29 van de conclusie van antwoord in eerste aanleg).
- in 1989 heeft [appellant twee] van erflater gekocht en in eigendom verkregen de percelen landbouwgrond gelegen in de driehoek [naam];
- in 1996 heeft [appellant twee] van erflater gekocht en in eigendom verkregen de landbouwgronden te [naam];
- wanneer gronden zijn verpacht, zoals in casu het geval was, heeft de pachter een wettelijk voorkeursrecht;
- in het geval van het voorkeursrecht geen gebruik wordt gemaakt en de eigenaar de gronden aan een derde verkoopt, blijft het pachtrecht in stand. Dit heeft een waarde drukkend effect op de grond;
- omdat sprake is van voortzetting van het landbouwbedrijf dient de waardering van de onderneming volgens vaste rechtspraak te geschieden tegen de verpachte waarde.
- er is geen sprake van een nalatenschap waarbij [appellant twee] grond pachtte op het moment van overlijden van erflater en vervolgens ook als deelgenoot bij de verdeling is betrokken. De uitspraak van de Hoge Raad van 14 juni 1976 NJ 1976/414 doet zich hier niet voor;
- niet ter discussie staat, dat [appellant twee] de grond gebruikte;
- niet gebleken is dat er tussen erflater en [appellant twee] een schriftelijke
- bovendien wil met het uitoefenen van het wettelijk voorkeursrecht niet zijn gezegd dat de pachter het gepachte tegen de waarde van de onroerende zaak in verpachte staat in eigendom krijgt;
- in dit geval is er sprake van het door erflater bij leven in 1989 en 1996 verkopen van een aantal percelen grond aan één van de kinderen, te weten [appellant twee]. Niet valt in te zien dat [appellant twee], vanwege het enkele feit dat hij voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf uitoefent, percelen landbouwgrond tegen een lagere waarde van erflater zou kunnen kopen dan een willekeurige derde persoon die de landbouwonderneming drijft;
- niet valt in te zien om welke reden de verkoop van de percelen grond aan [appellant twee] op een andere manier moet worden beoordeeld dan bij verkoop aan een willekeurige derde;
- [appellant twee] heeft de percelen landbouwgrond in de periode tussen 1998 en 2001 verkocht.