ECLI:NL:GHDHA:2014:715

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2014
Publicatiedatum
11 maart 2014
Zaaknummer
200.126.730-01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening en zekerheidsstelling in geschil over onrechtmatige inneming auto’s

In deze civiele procedure staat een geschil centraal tussen PSA Finance Nederland B.V. (PSA), een financieringsmaatschappij, en CAV c.s., een groep van autoverhuurbedrijven en borgstellers. PSA had auto’s van CAV ingenomen wegens een vermeende betalingsachterstand, waarna de rechtbank Rotterdam oordeelde dat PSA aansprakelijk is voor de schade die CAV hierdoor lijdt.

CAV c.s. vordert in een incident een voorlopige voorziening tot betaling van een voorschot op schadevergoeding en het stellen van zekerheid, uit vrees dat PSA niet voldoende solvabel is om toekomstige schade te vergoeden. Ter onderbouwing van deze vordering overlegt CAV c.s. journalistieke artikelen over de financiële situatie van de PSA Groep in Frankrijk.

Het hof stelt vast dat deze artikelen geen betrekking hebben op PSA Finance Nederland B.V. zelf en dat CAV c.s. onvoldoende heeft aangetoond dat PSA niet meer solvabel zal zijn aan het einde van het hoger beroep of de schadestaatprocedure. Daarnaast ontbreekt een degelijke onderbouwing van de hoogte van de schade, mede gelet op het verweer van PSA dat een deel van de auto’s beschadigd of in beslag was en dus niet verhuurbaar.

Op grond hiervan wijst het hof de vordering van CAV c.s. af en houdt het de beslissing omtrent de proceskosten aan tot in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor uitlatingen van partijen.

Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot voorlopige voorziening en zekerheidstelling af wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.126.730/01
Zaak-/rolnr. rechtbank : C/10/398973 / HA ZA 12-306

arrest van 18 maart 2014

inzake

PSA Finance Nederland B.V. h.o.d.n. Peugeot Lease,

gevestigd te Rotterdam,
appellante in het principaal appel,
geïntimeerde in het incidenteel appel,
tevens eiseres in het incident,
hierna te noemen: PSA,
advocaat: mr. R. van Kessel te Den Haag,
tegen
1.
Centraal Autoverhuur B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
2.
Speedy Transport B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
3.
EHD Holding B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerden in het principaal appel,
appellanten in het incidenteel appel,
tevens verweerders in het incident,
hierna te noemen: CAV, Speedy respectievelijk EHD, en gezamenlijk CAV c.s.,
advocaat: mr. M.G.G. de Bruin te Barendrecht.

Het geding

Bij exploot van 25 april 2013 is PSA in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2013, gewezen tussen CAV c.s. en PSA. Bij memorie van grieven tevens wijziging van eis (met producties) heeft PSA drie grieven aangevoerd. CAV c.s. heeft bij een incidentele memorie van eis voor alle weren (met producties) een vordering ingesteld. Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft CAV c.s. alle grieven van PSA bestreden en zelf een grief tegen het vonnis aangevoerd. Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel tevens memorie van antwoord in het incident heeft PSA de vordering in het incident en de incidentele grief bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en is in het incident arrest gevraagd.

De beoordeling van de incidentele vordering

1.
Het gaat in dit incident om het volgende.
2.1.
CAV is een autoverhuurbedrijf en PSA is een financieringsmaatschappij. Tussen PSA en CAV bestaat een aantal financiële overeenkomsten met betrekking tot een aantal auto’s. Speedy en EHD hebben zich tegenover PSA borg gesteld voor verplichtingen van CAV. PSA heeft voornoemde auto’s van CAV ingenomen, stellende dat CAV een betalingsachterstand heeft.
2.2.
In eerste aanleg is onder meer voor recht verklaard dat PSA jegens CAV aansprakelijk is voor de schade die door CAV is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van het zonder recht innemen van de auto’s en is PSA veroordeeld tot vergoeding van die schade aan CAV, op te maken bij staat.
3.1.
In het incident vordert CAV de veroordeling van PSA bij wijze van voorlopige voorziening tot betaling van € 67.500,00, alsmede tot het stellen van zekerheid ten bedrage van € 202.500,00, althans subsidiair tot het stellen van zekerheid voor een bedrag van € 270.000,00, met veroordeling van PSA in de kosten van het incident. CAV c.s. stelt dat, gelet op de verwachte duur van het hoger beroep alsmede de nog te voeren schadestaatprocedure, het voor haar onduidelijk is of PSA wel voldoende solvabel is en blijft en of CAV haar schade in de toekomst dus nog wel zal kunnen verhalen. CAV c.s. heeft deze stelling onderbouwd met een drietal journalistieke berichten van het internet met als titels: “Peugeot Citroën duikt diep in het rood”, “Nationalisatie PSA is onvermijdelijk” en “Parijs mag Peugeot onder voorwaarden helpen” (zie productie 4 van CAV c.s. in hoger beroep).
3.2.
CAV heeft aangegeven dat zij doende is haar totale schade te becijferen met het oog op de schadestaatprocedure. Bij een voorlopige berekening van gederfde huurinkomsten is CAV tot een schade ten bedrage van € 270.000,00 gekomen. Ter onderbouwing heeft zij onder meer de diverse huurtarieven die CAV hanteert als bijlage toegevoegd (zie productie 2 van CAV c.s. in hoger beroep).
4.
PSA heeft de incidentele vordering gemotiveerd bestreden.
5.1.
Het hof constateert dat de drie artikelen uit februari 2013 geen betrekking hebben op PSA Finance Nederland B.V. zelf, ook niet op haar directe moeder, PSA Financial Holding B.V., of op de moeder daarvan, Banque PSA Finance te Frankrijk, maar op haar (uiteindelijke) moeder in Frankrijk, de PSA Groep. De PSA Groep te Frankrijk zou volgens een van de artikelen mogelijk wijzigingen staan te wachten.
De drie artikelen vormen naar oordeel van het hof geen onderbouwing van de stelling van CAV c.s., dat PSA Finance Nederland B.V. op termijn niet meer voldoende solvabel zou zijn. Ze hebben in het geheel geen betrekking op PSA Finance Nederland B.V. Bovendien laat CAV c.s. na te onderbouwen hoe mogelijke wijzigingen bij de Franse concernmoeder, de PSA Groep, invloed zouden kunnen hebben op (uiteindelijk) de solvabiliteit van PSA Finance Nederland B.V.
Het hof komt dan ook tot de slotsom dat CAV c.s. niet althans onvoldoende onderbouwd heeft dat PSA Finance Nederland B.V. (PSA) niet meer voldoende solvabel zal zijn aan het einde van het hoger beroep of de schadestaatprocedure.
5.2.
Voorts constateert het hof dat een serieuze, gedegen onderbouwing van de hoogte van de schade – in het bijzonder de hoogte van de gemiste huurinkomsten – ontbreekt, daarbij ook mede in aanmerking nemende het gemotiveerde verweer van PSA dat een deel van de auto’s beschadigd, dan wel mogelijk ‘total loss’ was, en een ander deel van de auto’s zich in Justitieel beslag, bij de politie dan wel bij de domeinen bevond, en daarmee niet verhuurbaar was.
6.
Op grond van het voorgaande wijst het hof de vordering van CAV c.s. in het incident af.
7.
Het hof houdt de beslissing omtrent de proceskosten in het incident aan tot in de hoofdzaak. Het hof zal de hoofdzaak verwijzen naar de rol voor uitlaten partijen.

Beslissing

Het hof,
in het incident:
- wijst de vordering van CAV c.s. af;
- houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
- verwijst de zaak naar de rol van 1 april 2014 voor uitlaten partijen.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, E.M. Dousma-Valk en M.W.D. van der Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2014 in aanwezigheid van de griffier.