Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting 2006 waarbij het belastbare inkomen uit werk en woning was vastgesteld op €7.291, terwijl hij aangifte deed van €1.886. De Inspecteur had de aanslag bij bezwaar verminderd tot €1.196. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om dwangsom af wegens het ontbreken van een juiste ingebrekestelling.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de aanslag te hoog was en dat hij recht had op een dwangsom wegens overschrijding van de beslistermijn. Het Hof oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de aanslag niet te hoog was en dat geen dwangsom toekwam omdat geen juiste ingebrekestelling was gedaan. De Inspecteur stemde ter zitting in met een verdere verlaging van het belastbare inkomen naar €958, hetgeen het Hof volgde.
Het Hof wees het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de vertraging aan belanghebbende zelf te wijten was door het creëren van onnodige complexiteit. Het Hof vernietigde de eerdere uitspraken, stelde het belastbare inkomen vast op €958, en gelastte de Inspecteur tot vergoeding van griffierechten aan belanghebbende.