ECLI:NL:GHDHA:2014:875

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2014
Publicatiedatum
18 maart 2014
Zaaknummer
22-003513-12
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van cocaïne met taakstraf

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week voor het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 2,2 gram cocaïne in Leiden op 14 december 2011. In hoger beroep vernietigde het hof dit vonnis en verklaarde het bewezen dat de verdachte cocaïne bij zich had, maar sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen.

De verdediging voerde aan dat de staande houding en fouillering onrechtmatig waren, maar het hof oordeelde dat de politie bevoegd was tot het onderzoek op grond van artikel 55b Sv en verwierp het verweer. Het hof achtte de strafbaarheid van de verdachte onomstreden.

Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden en de justitiële documentatie met meerdere eerdere veroordelingen, maar ook de positieve ontwikkeling van de verdachte, legde het hof een taakstraf van 14 uur op, die bij niet-naleving wordt vervangen door 7 dagen hechtenis. Hiermee werd de eerdere gevangenisstraf vervangen door een lichtere straf die de rehabilitatie van de verdachte niet doorkruist.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 14 uur, vervangbaar door 7 dagen hechtenis.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003513-12
Parketnummer: 09-287525-11
Datum uitspraak: 29 januari 2014
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 10 juli 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1990,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 januari 2014.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 week.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 december 2011 te Leiden opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 december 2011 te Leiden opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,2 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Verweer van de raadsman
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verweer gevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er geen redelijk vermoeden van schuld bestond om zijn cliënt staande te houden en vervolgens te fouilleren.
Het hof overweegt als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van politie is de verdachte, op 14 december 2011 staande gehouden en is van hem een legitimatiebewijs gevorderd. Omdat de verdachte zich tegenover de verbalisant niet kon legitimeren, is op grond van artikel 55b Wetboek van Strafvordering een onderzoek aan zijn kleding ingesteld ter vaststelling van zijn identiteit. Vervolgens zijn bij de verdachte twee wikkels cocaïne aangetroffen, waarop hij is aangehouden.
Naar het oordeel van het hof is in casu geen sprake van een onrechtmatige staande houding en was de verbalisant bevoegd om een onderzoek aan de kleding van verdachte in te stellen op grond van artikel 55b van het Wetboek van Strafvordering.
Ten overvloede merkt het hof op dat gesteld al dat sprake zou zijn van onrechtmatige staande houding c.q. fouillering, dit niet leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging, zoals door de raadsman is bepleit.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 december 2013, waaruit blijkt dat de verdachte vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Op grond van hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht is aannemelijk geworden dat de verdachte thans doende is zijn leven weer in goede banen te leiden. Het hof acht het ongewenst deze gunstige ontwikkeling door het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te doorkruisen. Op die grond zal het hof, anders dan de politierechter, volstaan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur.
Naar het oordeel van het hof komt de ernst van het bewezenverklaarde, mede gelet op de justitiële documentatie van de verdachte, onvoldoende tot uitdrukking in de eis van de advocaat-generaal.
Het is op deze grond dat het hof hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
14 (veertien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
7 (zeven) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. A.M. Zwaneveld, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Dallau.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 januari 2014.
Mr. A.M. Zwaneveld is buiten staat dit arrest te ondertekenen.