ECLI:NL:GHDHA:2014:934
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing tussentijdse beëindiging schuldsanering zonder schone lei
Bij vonnis van 27 juli 2010 werd de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de geïntimeerde. De appellante verzocht tussentijdse beëindiging van deze regeling zonder schone lei, maar dit verzoek werd door de rechtbank Rotterdam op 24 september 2013 afgewezen. De appellante ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.
De rechtbank oordeelde dat er geen feiten of omstandigheden bestonden die bij het verzoek tot toelating tot de schuldsanering reeds bekend waren en die tot afwijzing hadden moeten leiden. Ook was niet aannemelijk dat de geïntimeerde moedwillig informatie had achtergehouden. De vordering van de appellante was gebaseerd op feiten van ruim vier jaar voor de toelating en was destijds nog betwistbaar. Daarnaast zou een beroep op de hardheidsclausule waarschijnlijk geslaagd zijn.
De appellante stelde dat de geïntimeerde onterecht geen melding had gemaakt van de vrijwaringsvordering en zich onterecht als vermogend had voorgedaan. De geïntimeerde en de bewindvoerder betwistten dit en gaven aan dat alle relevante vorderingen waren gemeld en erkend. Het hof oordeelde dat geen sprake was van kwade trouw en dat de late indiening van het verzoek tot beëindiging niet gerechtvaardigd was.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei af.