ECLI:NL:GHDHA:2015:1019
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake onrechtmatige voorlopige hechtenis en schadevergoeding tegen de Staat
Appellant werd in twee strafzaken in voorlopige hechtenis genomen op verdenking van diverse strafbare feiten, waaronder mishandeling, diefstal en overtreding van de Opiumwet. In de Amsterdamse zaak werd appellant veroordeeld voor mishandeling en vrijgesproken van overige feiten, terwijl in de Haarlemse zaak hij werd veroordeeld voor mishandeling en bedreiging, maar vrijgesproken van gekwalificeerde diefstal.
Appellant vorderde schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis gedurende in totaal 85 dagen. De kantonrechter kende slechts een beperkte vergoeding toe voor twee dagen dat appellant te lang in vrijheid was onthouden in de Haarlemse zaak en wees de rest van de vordering af.
Het hof bevestigde dat de Staat alleen aansprakelijk is voor onrechtmatige voorlopige hechtenis indien sprake is van onrechtmatige overheidsdaad of onschuld. Het hof oordeelde dat appellant niet onschuldig was aan alle feiten en dat de voorlopige hechtenis proportioneel was, mede gezien de samenhang tussen de feiten. De vergoeding van €160 voor twee dagen te lange hechtenis werd als passend beschouwd. De vordering tot een hogere vergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De proceskosten werden aan appellant opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 17 maart 2015 door het Gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de schadevergoeding behalve voor twee dagen onrechtmatige hechtenis af.