Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
nietverwijtbaar is, dat dit inkomensverlies
nietvoor herstel vatbaar is, dat dit
nietvan de man kan worden gevergd alsmede dat de fictieve verdiencapaciteit van de man
nietvergelijkbaar is met de winst uit onderneming van de man in 2012.
- de winst uit de onderneming van de man (stratenmakerij) is sinds 2012 maandelijks gedaald, welke daling zich in 2013 heeft voortgezet; De man legt nieuwe cijfers over. De man schat dat indien hij zijn onderneming had voortgezet zijn jaarwinst over heel 2013 maximaal € 8.000,- bedragen zou hebben;
- er is geen sprake van een verwijtbare inkomensachteruitgang. De man heeft zijn bedrijf moeten staken wegens het uitblijven van opdrachten. Beëindiging van de onderneming was de enige juiste beslissing;
- er is evenmin sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies. Het inkomen van de man uit onderneming zou lager geweest zijn dan de bijstandsuitkering die de man thans ontvangt;
- De man probeert onder begeleiding uit de bijstand te komen, maar wordt in ernstige mate gehinderd door zijn psychische gesteldheid, ontstaan doordat hij geen contact meer heeft met zijn kinderen. Bovendien dreigt de vrouw met executiemaatregelen.
onherstelbareinkomensvermindering in aanmerking moet worden genomen, zal in het bijzonder moeten worden bezien of sprake is van ‘verwijtbaar inkomensverlies’ in die zin dat de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag kan die inkomensvermindering ten dele of zelfs in het geheel buiten beschouwing worden gelaten. Verder dient in het oog te worden gehouden dat het buiten beschouwing laten van de inkomensvermindering in beginsel niet mag leiden tot het resultaat dat de onderhoudsplichtige als gevolg van zijn aldus berekende fictieve draagkracht bij voldoening aan zijn onderhoudsplicht feitelijk niet meer over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van zijn eigen bestaan te voorzien, en in geen geval tot het resultaat dat zijn totale inkomen zakt beneden het niveau van 90% van de op hem toepasselijke bijstandsnorm.